Foto: Laurens Lammers

Hij is kampioen in het aanleveren van composities voor de Tilburgse beiaardautomaat. De Tilburgse pianist en componist Fons Mommers (1947) schreef dit jaar – als vaste ‘invalkracht’ in het rijtje componisten dat werk schreef voor de automaat – weer meerdere korte en langere stukken. Alle composities kregen ook een titel mee. Zo konden Tilburgers onder meer luisteren naar een 1,5 minuut durend stuk met als prikkelende titel WRAP. Die titel verwees volgens Mommers inderdaad naar een hartig pannenkoekje, waarmee hij de ‘smeuïgheid’ van zijn compositie probeerde te onderstrepen. Met zijn nieuwste compositie, geschreven voor de huidige maand december, voltooide hij zijn kleine reeks opvallend melodieuze beiaardcomposities onder de titel ‘Reserved’.

Wie op de site LinkedIn naar de openbare pagina van de huidige voorzitter van de gemeentelijke beiaardcommissie surft, ontdekt ook een opmerkelijke loopbaan. Zo studeerde hij van 1965 tot 1975 filosofie en theologie en knoopte hij hier ook een studie piano aan het Tilburgse conservatorium aan vast. Na zijn studies werkte hij als wetenschappelijk medewerker aan de Tilburgse universiteit, eerst voor de afdeling filosofie aan de economische faculteit en enige tijd daarna aan de theologische faculteit.

Vanaf 1990 stortte hij zich echter fulltime op de muziek. Mommers ging weer componeren en pianospelen en werd lid van GENECO en de Vereniging van Componisten Noord-Brabant. In een interview met deze site zegt hij: “Muziek was intussen wel belangrijk voor mij geworden. Niet in de laatste plaats omdat ik betrokken raakte bij de oprichting van de VONK, een nieuw podium voor experimentele muziek, die we zelf schreven, improviseerden, organiseerden en uitvoerden.”

In het jaar 2000, op zijn 53ste jaar, nam het leven van Mommers weer een nieuwe opvallende wending. Hij werd brug- en sluiswachter aan het Wilhelminakanaal en de Zuidwillemsvaart en zou met dit werk vijftien jaar lang de kost verdienen. Over de bewuste periode zegt hij zelf: “Als muzikant/componist beschikte ik niet over een vast inkomen. Het fluctuerende inkomen van een brugwachter, die niet in dienst was van Rijkswaterstaat maar van de ingehuurde en toen nog zwaar onderbetalende organisatie ODV, betekende voor mij een hele vooruitgang. Het was ook zeker geen eigen besluit om brugwachter te worden. Aan dat baantje kwam ik door puur toeval.”

Na zijn dienstverband aan het kanaal zou Mommers nog tal van muzikale hoogtepunten beleven. Zo trad hij op als solist, in kleinere en grotere ensembles en werkte hij samen met improviserende musici. Als pianist won hij ook enkele prijzen. Componeren deed hij verder voor allerlei instrumenten, maar ook voor kleinere en grotere bezettingen, vocaal werk en de beiaard. Anno 2019 treedt Mommers nog steeds met veel plezier en enthousiasme op. Zo is hij vaste pianist en componist van het naar hemzelf vernoemd kwartet Mommers4. Een van zijn recente projecten is getiteld ‘Miobi en het Monster’, een onder leiding van Mommers uitgewerkte muzikale voorstelling gebaseerd op een oud Egyptisch sprookje.

– Kun je iets vertellen over je achtergrond? Wanneer en waardoor raakte je geïnteresseerd in muziek, wat was je eerste instrument en kom je ook uit een muzikale familie?

“Ik kom uit een muzikaal nest: zowel mijn vader als mijn moeder zongen graag. Een van mijn oudste herinneringen betreft het samen zingen van mijn ouders. Als mijn vader een liedje begon te zingen viel mijn moeder in met de ‘tweede stem’. Ook kocht mijn vader een piano toen ik twaalf was, aanvankelijk om er zelf op te leren spelen, maar daar hield hij al snel mee op, toen hij merkte dat hij zijn zoon niet kon bijhouden. Behalve pianospelen en zingen vormde blokfluiten op de basisschool een buitengewone stimulans. Ik had het geluk op een school te zitten, waar ik in groep 7 en 8 elke dag na schooltijd samen met enkele andere leerlingen geheel gratis leerde blokfluiten. Zo kwam ik heel jong in een barokensemble terecht dat goed genoeg was om voor de radio te spelen. Als kind heb ik ook jaren, ik ben katholiek opgevoed, in een koor gezongen en maakte ik kennis met muziek uit de Renaissance. Zo kwam het dat ik op mijn vijftiende het concert van Bach voor twee klavecimbels speelde.”

– In de muziekencyclopedie op internet sta je vermeld als pianist. Bespeel je eigenlijk nog andere instrumenten?

“Mijn hoofdinstrument is piano, maar ik heb ook veel orgel gespeeld om wat bij te verdienen en af en toe clavecimbel als het van pas kwam.”

– Je studeerde aan het conservatorium in Tilburg. Je volgde ook cursussen muziektheorie, muziekanalyse en compositie. Als docenten had je Henk Stoop en Alexander Hrisanide. Eén van deze twee dirigeerde ook je eerste composities. Wie van deze twee docenten was dat? En hoe was het om voor het eerst eigen werk in het openbaar te horen?

“Henk Stoop heeft mijn eerste probeersels voor piano gespeeld. Nadien heb ik met Henk allerlei muziek voor twee piano’s gespeeld. Binnenkort hoop ik met hem en nog twee andere pianisten ‘Ameublement des touches’, een groot stuk voor vier piano’s, te gaan spelen. Alexander Hrisanide dirigeerde enkele van mijn eerste grotere stukken. Telkens als ik voor de eerste keer mijn eigen muziek hoor (en zie!) spelen, is dat voor mij een confronterende ervaring. Met mijzelf, met de muziek en – last but not least – met de muzikanten die het stuk uitvoeren.”

– Na je opleiding aan het conservatorium werkte je onder meer aan de Tilburgse Dans- en Muziekschool als repetitor. Wat was dat precies voor een job?

“Als repetitor begeleid je leerlingen van de muziekschool voor uitvoeringen of examens. Dat was pas veel jaren later, na mijn werk op de universiteit. In die tijd heb ik ook een paar jaar als docent piano gewerkt in Dongen, Gilze en Rijen.”

– Je componeert voor allerlei instrumenten, voor kleinere en grotere bezettingen en je schrijft ook vocaal werk. Waar gaat echter je grootste voorkeur naar uit wat componeren betreft?

“Ik heb geen echte voorkeur. Het hangt er vaak vanaf welke muzikant of welk instrument zich  aandient, of met welke andere muzikanten je op een bepaald moment samenwerkt. Componeren van vocale muziek lag voor mij tamelijk voor de hand, omdat ik zelf vaak koren heb begeleid als pianist.”

– Waar schuilt voor jou bij het componeren van muziek de grootste uitdaging in? En, ben je snel tevreden over een eigen compositie of ben je voortdurend aan het schrappen en schrijven?

“Moeilijke vraag! Wat ik telkens een uitdaging vind, bij elk nieuw stuk, is de vraag: hoe krijg ik de aanvankelijke inval, idee, aanleiding, of innerlijke roerselen zo in het gareel en strak – of minder strak – in het jasje, dat er uiteindelijk een overtuigende en ‘toonbare’ vorm is, waarmee je voor de dag kunt komen? En, nee, ik ben daar niet snel tevreden over. Vaak zijn ook aanpassingen nodig, na een eerste keer spelen. Wel is het zo, dat ik eenmaal gespeelde stukken meestal laat voor wat ze waard zijn.”

– In de periode 2000-2015 was je brug- en sluiswachter aan het Wilhelminakanaal en de Zuidwillemsvaart. Heb je in die tijd ook veel muziek gecomponeerd? Het lijkt mij in elk geval dé ideale werksituatie voor het schrijven van muziek…

“Mijn periode als brugwachter was heel belangrijk. Ik hoefde geen carrière meer in de wetenschap te maken. Het brugwachteren bracht ook een heel andere leefstijl met zich mee. Er was tijd voor bezinning, fantasie, literatuur en muziek. Ik maakte schetsen of plannen die ik later uitwerkte, schreef gedichten of surfde op het internet. Het werk als brugwachter bracht mij definitief op het pad van de Muzen. Ook hield ik er enkele jaren een dagboek op na. De situatie was inderdaad aanvankelijk ideaal. Later, als gevolg van steeds meer bediening op afstand en toenemende automatisering, is de ‘muziek’ wel uit het brugwachteren verdwenen.”

– Je hebt naast piano ook filosofie gestudeerd. Achter jouw composities zit vaak ook een filosofisch getint verhaal. Vind je het nog steeds leuk om over muziek te filosoferen?

“Filosofie is nooit ver weg als ik muziek maak. Deels omdat ik niet zonder kan en het een lange tijd ook mijn werk was, deels omdat filosoferen je soms ook op een idee kan brengen voor een compositie. Ook het lezen van filosofen die over muziek schrijven vind ik heel interessant. Om er een paar te noemen: Alicja Gescinska, Marlies de Munck, Maartin Hoondert, Lydia Goehr, Roger Scruton, en niet te vergeten de interessante jonge Belgische filosoof en muzikant Tomas Serrien.”

– Wat weinig mensen weten: je schrijft ook poëzie. Je hebt zelfs een dichtbundel op je naam staan getiteld Kanaalzout. Zit er ook muziek in je poëzie? Ik bedoel een bepaalde ritmiek?

“Ik heb weinig ervaring als dichter en voel me in dat opzicht onzeker. Tegelijkertijd staat het dichten naar mijn gevoel erg dicht bij de muziek, putten ze uit dezelfde bron, alleen: de ‘vertaling’ is anders. Ritmiek is een van de belangrijkste gemeenschappelijke componenten, lijkt me. De betekenis van de woorden kan zelfs overgaan in pure klankexpressie. Toch blijft muziek ongrijpbaarder en mysterieuzer dan poëzie.”

– Komt uit je liefde voor poëzie ook de behoefte voort om mooie, levendige ‘menselijke’ muziek te maken?

“Jazeker! Poëzie, die me echt raakt, vráágt om muziek. Dat is althans bij mij zo. Het is ook mogelijk bij poëzie in ‘strenge’ versvorm. Als poëzie bezield is, dus geen rijmpjes-gepruts, geen academisch hoogstandje, en geen pedante ‘chic-doenerij’, dan is in mijn ogen muziek het aangewezen medium.”

– Op de website van het door jou opgerichte kwartet Mommers4 las ik dat je ook prijzen hebt gewonnen. Er staat niet bij welke. Komt dit door je bescheidenheid?

“Ja, ik heb inderdaad enkele prijzen gewonnen, heel lang geleden, ver voor de tijd dat ik überhaupt aan componeren dacht. Ik speelde toen prijzenswaardig Beethoven, solo, en Brahms op viool of piano of duo. Het zijn liefdes die ik nooit meer kwijtraak. Maar, ik, bescheiden? Oké, dan nu maar even opscheppen: na tien muziekvoorstellingen, inclusief tekst en beeld, zijn nummer elf en twaalf op dit moment in voorbereiding. Een tweede dichtbundel ligt verder op de loer. En ik ben bezig met een artikel over de Brabantse beeldend kunstenaar Juul van de Kolk.”

– Je toert op oudere leeftijd nog altijd rond met je kwartet. Wat ik heb begrepen is dat dit groepje veel op improvisatie is gericht en dat er ook tekst en beeld in de optredens zitten. Heb je nog andere leuke en interessante ideeën klaarliggen voor komende optredens, zo ja, wat wil je met dit kwartet nog bewerkstelligen?

“Mommers4 wil een eigen geluid laten horen zonder te verstarren in een te gesloten of ontoegankelijk jargon. De focus van het componeren valt minder op muziek als ‘compositie’, dan op componeren als ‘taking part in a musical performance’. Participatie omvat uiteraard uitvoeren, repeteren, maar ook zorgen voor financiële middelen, het kopen van een video-projector, een synthesizer, componeren, improviseren, filosoferen, publiciteit, kaartjes verkopen, etcetera. Bij Mommers4 wordt componeren zo onderdeel van een gezamenlijk proces, waarbij muziek de hoofdrol speelt. Componeren voor Mommers4 gaat van meet af aan over veel meer dan alleen maar over het schrijven van muziek. Ons volgende project heeft de dichter en filosoof Adwaita – een pseudoniem van Andreas Dèr Mouw – als uitgangspunt. Het feit dat Dèr Mouw honderd jaar dood is, heeft tot nu toe om onbegrijpelijke redenen weinig aandacht gekregen, naar ik weet. Onbegrijpelijk, omdat het gaat om een uitzonderlijk dichterlijk en filosofisch talent uit de tijd rond 1900. Op de agenda van Mommers4 staan verder collagegedichten uit ‘Die blassen Herren mit den Mokkatassen’ van Herta Müller en, voor het begin volgend jaar, mijn stuk HORT voor klarinetensemble in samenwerking met Maarten Jense.”

– In 2013 heb je je intensief beziggehouden met de levensbeschouwing én de muziek van Antony Kok, experimenteel schrijver en medeoprichter van het tijdschrift De Stijl. Wat was Antony Kok voor een man? En wat was de reden voor je bovenmatige interesse in deze figuur?

“Anthony Kok stamt uit dezelfde periode als Andreas Dèr Mouw. Ook over hem zou ik nog graag een essay willen schrijven. Ik raakte geboeid door de beweging van De Stijl. Bovendien maakte de persoon Anthony Kok mij nieuwsgierig: hij hield, net als ik, van pianospelen, schreef gedichten en had een grote belangstelling voor filosofie. In mijn essay heb ik geprobeerd Anthony Kok in het bredere verband te plaatsen van de culturele en maatschappelijke omgeving waarin hij leefde.”

– In 2017 vond in Tilburg de première plaats van ‘Attaca’, een muziekstuk voor de beiaard, geschreven door jou naar aanleiding van het 30-jarig jubileum van de beiaardier Carl Van Eyndhoven. Was dat je eerste werk dat je voor de beiaard schreef? En was Carl enthousiast over je stuk?

“Attaca was niet mijn eerste stuk voor beiaard. In de vorige eeuw heeft Carl mijn eerste stuk voor de beiaard gespeeld in het kader van een project van Brabantse componisten. Over mijn muziek voor de beiaard in het algemeen, is Carl niet ontevreden, geloof ik.”

– Je schreef dit jaar al meerdere keren composities voor de beiaardautomaat. Een daarvan kreeg als titel WRAP mee. In een kort interview met deze site vertelde je dat je je muziek voor de automaat ziet als een een soort eetbaar pannenkoekje. Heeft je nieuwste werk voor de automaat, onder de titel Reserved 3, ook weer iets smakelijks meegekregen qua compositie?

“Over muziek als smakelijke hapjes denk ik hooguit in ironische termen. Boeiende muziek heeft in mijn ogen meestal inspanning, intensieve voorbereiding, tijd en moeite nodig. Dit ontgaat politici, die kunstenaars onterecht voor ‘subsidieslurpers’ uitmaken. Evenals voor de handgespeelde beiaard wil ik ook voor de beiaardautomaat boeiende en muzikale muziek schrijven. Het verschil tussen automatisch- en handspel is, qua restricties en mogelijkheden, een bijzondere uitdaging voor mij als componist, terwijl voor allebei geldt dat de resonantie-ruimte letterlijk en in sociaal opzicht een geheel andere is dan die van een concertzaal. De composities Reserved 1, 2 en 3 schreef ik als ‘invalkracht’ bij het componistenproject van de Stichting Vrienden van de Tilburgse Beiaard als er voor een specifieke maand nog geen muziek voor de beiaardautomaat beschikbaar was.”

– Wat is volgens jou zo typerend aan de klank van de beiaard?

“Van oorsprong is de klank van de beiaard voor mij verbonden met een tamelijk anoniem stadsgeluid: het typische klokkengeluid, dat hoorde bij het erfgoed van een stad. Wil de beiaard levend blijven als erfgoed, dan zal ie uit de anonimiteit moeten worden gehaald.”

– Hoe wil je dat voor elkaar krijgen?

“Dat kan op allerlei manieren. Een van die manieren is om de beiaard te promoten als zelfstandig en volwaardig concerterend muziekinstrument, zie bijvoorbeeld het werk van de Stichting Vrienden van de Tilburgse Beiaard. Een andere manier is het multifunctioneel gebruik ten dienste van de Tilburgse bevolking, van stedelijke en andere, buitenmuzikale gebeurtenissen, kortom, als ‘volksinstrument’. Pikant vind ik zelf de verhouding tussen deze twee. De beiaard is er immers voor iedereen. En dat is misschien ook zijn mogelijke zwakte in een individualistische cultuur als de onze, want alles wat in onze samenleving van waarde is voor iedereen, is mijn inziens tanende.”

– Is het belangrijk dat er in Nederland een professionele opleiding tot beiaardier blijft bestaan? Of denk je dat de belangstelling onder de jeugd hiervoor sterk dalende is en dat de opleiding uiteindelijk verdwijnt?

“Voor mij is de beiaard een belangrijk verbindend element in onze stad. Om te zorgen dat dit ook voor de toekomst geldt, hebben we op de eerste plaats een uitstekend spelende, professioneel opgeleide en verantwoordelijke beiaardier nodig, die – horribile dictu – nooit vervangen kan en mag worden door een automaat. Iemand als Carl Van Eyndhoven dus.”

Continue reading...

Foto: Yuanyuan Chen

Evert van Merode (1980) heeft wel wat studies en opleidingen op zijn naam staan. Zo studeerde hij piano aan het Fontys Conservatorium Tilburg en cultuurwetenschappen aan de Universiteit van Tilburg en volgde hij in Amsterdam lessen in compositieleer. Als kerkmusicus is hij actief in de Dominicusgemeente te Amsterdam. Tevens is hij dirigent van twee profane koren: in Utrecht bij het Gemengd Koor Nootabene en in Tilburg bij het Kleinkoor XingNu.

Van Merode geldt zonder twijfel als een van de meest actieve kerkmusici die Nederland rijk is. Piano en orgel spelen in kleine kerkgemeenschappen, een koor dirigeren, componeren voor grote koren en kleine amateurkoren: het kwam allemaal al eens op zijn pad. De afgelopen jaren componeerde hij voornamelijk werk voor koren, waaronder liturgische muziek. Ook schreef hij kamermuziek voor verschillende gezelschappen. Naast zijn activiteiten als dirigent en begeleider werd hij ook regelmatig gevraagd om solisten te begeleiden.

In een interview met deze site zegt hij over zijn werk als componist: “Misschien schrijf ik wel het liefst voor piano, omdat ik achter de piano al improviserend begin met het componeerproces. Maar het hangt uiteindelijk helemaal af van het doel van of de opdracht voor het stuk. Ik vind het heel leuk om werken voor koor te schrijven – niet in de laatste plaats omdat er koren zijn die het willen zingen.”

In het muzikale bestaan van Van Merode speelt ook de Stichting Muziek-Nu een belangrijke rol. De projecten van de stichting, die hij samen met een collega-musicus oprichtte, laten zien hoe kerkmuziek op een aantrekkelijke en hedendaagse manier is te presenteren. Een voorbeeld daarvan waren de zogenaamde Droomconcerten die de stichting organiseerde voor het ten gehore brengen van nieuwe muziek op een speelse en fantasievolle wijze. Het doel daarbij is vooral om de gangbare concertpraktijk op zijn kop te zetten.

“Sommige muziekstukken waren geïnsprireerd door poëzie en hadden ‘dromen’ als rode draad. Niet alleen muziek had dus een plaats binnen de concerten, maar ook andere kunstvormen, zoals beeldende kunst, literatuur en theater”, zegt Van Merode. Eind 2018 bracht de stichting de CD ‘Dromen op Muziek’ uit. Diverse Nederlandse en Vlaamse componisten, waaronder Van Merode zelf, schreven er muziekstukken voor speciaal bedoeld voor piano, viool en cello. Dat alles onder het motto: muziek is er om gehoord en beleefd te worden.

– Hoe oud was je toen je wist: ik word muzikant? En, bespeelde je toen al een instrument. Kom je verder ook uit een muzikale familie?

“Als kind wist ik al vrij vroeg dat ik piano wilde spelen – en geen ander instrument. Toch ben ik relatief laat met pianolessen begonnen, zo rond mijn 10e jaar. Muziek maken werd thuis enorm gestimuleerd. Dat heeft me zeker geholpen om enthousiast te blijven voor ‘de muziek’. Daarnaast speelde kerkmuziek ook een grote rol – ik kreeg een goede reden om muziek te maken, onder andere  als begeleider bij kerkkoren. Een betere leerschool is voor een musicus niet denkbaar naar mijn idee. Ik heb geleerd om te improviseren, te componeren, te dirigeren en te zingen. Dat alles vanuit een zekere muzikale intuïtie. Ik ben overigens ook pas tamelijk laat aan het conservatorium gaan studeren. Na mijn middelbare schooltijd was ik al begonnen aan een studie Cultuurwetenschappen.”

– Je studeerde piano aan het Fontys Conservatorium Tilburg en volgde lessen Compositie in Amsterdam. Kon je niet in Tilburg terecht voor de opleiding Compositie?

“In Tilburg heb ik zowel piano als Compositie gestudeerd aan het Fontys Conservatorium. Na een jaar ging mijn Compositie-docent Willem Jeths over naar Amsterdam. Ik ben hem toen gevolgd en heb een aantal jaren privé-les bij hem gevolgd.”

– Heb je aan je studie Cultuurwetenschappen nog iets gehad voor wat betreft je muzikale carrière?

“Dat was een waardevolle opleiding vanwege de ontwikkeling en verdieping van mijn uiteenlopende interesses voor culturele fenomenen. Achteraf kan ik concluderen dat het een mooie toevoeging was bij mijn muziekstudie.”

– Je speelt orgel en piano binnen een aantal Nederlandse kerkgemeenschappen. Je bent je zelfs een stuk intensiever bezig gaan houden met orgel spelen binnen de kerk. Waarom?

“Orgel speelde ik incidenteel wel eens in de kerk. Pas het afgelopen jaar ben ik serieus werk gaan maken van mijn orgelspel en volg ik lessen aan het conservatorium. Dit heeft direct te maken met het feit dat ik sinds dit jaar als organist en pianist ben aangesteld in de Dominicuskerk in Amsterdam. In Tilburg ben ik sinds afgelopen zomer niet meer actief in de kerkmuziek, het accent heeft zich verschoven naar Amsterdam. Al ben ik in Tilburg nog wel dirigent en begeleider van Kleinkoor XingNu. Verder val ik her en der in bij andere koren.”

– Op internet wordt je vaak aangeduid als kerkmusicus. Zijn kerkmusici nog wel in zwang anno 2019? Het aantal actieve kerken is in elk geval de laatste vijftig jaar sterk afgenomen.

“Kerkgemeenschappen zijn op veel plaatsen in Nederland sterk aan het vergrijzen, en daardoor aan het krimpen – of zelfs aan het verdwijnen. Daarmee staat uiteraard de religieus beleefde, en in kerkelijke context gepraktiseerde. kerkmuziek zwaar onder druk. Kerken sluiten en gemeenschappen ‘verdampen’. Dat is zoals het is – de secularisatie is een feit en zal de komende jaren nog verder doorzetten. Het vak van kerkmusicus is dus niet meer zo vanzelfsprekend – misschien ben ik één van de laatste der Mohikanen, haha. Maar ik prijs me nog steeds gelukkig dat ik in kerkelijke context muziek kan maken. De Dominicus is wat dat betreft een uitstekende plek!”

– Veel kerkgemeenschappen zijn ook in omvang een stuk kleiner geworden. Betekent dit ook dat het daardoor eenvoudiger is geworden om aangenomen te worden als (koor)dirigent?

“Geen idee, maar ik verwacht dat het antwoord ‘ja’ is. Maar ik gun iedere beginnende koordirigent een leerschool ‘in de kerk’.”

– In het kerkje Blauwkapel in Utrecht was je ooit tijdens een concert dirigent én pianist tegelijk. Hoe ging dat?

“Dat gebeurt met enige regelmaat. Hoe het ging? Dat zou je beter aan het publiek kunnen vragen, haha.”

– Behalve composities voor koren staan tussen je composities ook werken voor strijkorkest, harp, viool en orgel. Voor welk instrument componeer je het liefst nieuw werk en waarom?

“Misschien schrijf ik wel het liefst voor piano, omdat ik achter de piano al improviserend begin met het componeerproces. Maar het hangt uiteindelijk helemaal af van het doel van of de opdracht voor het stuk. Ik vind het heel leuk om werken voor koor te schrijven – niet in de laatste plaats omdat er koren zijn die het willen zingen. Een pragmatische overweging dus. Maar uiteindelijk is iedere denkbare bezetting een grote ontdekkingstocht.”

– Een van de composities op je site, die voor twee stemmen en piano, heeft als titel ‘Phones’. Dat is wel een hele aparte titel. Hoe kwam je daarop? En had je compositie ook iets met telefoons te maken?

“Nee, dit stuk heeft helemaal niets met telefoons te maken. Het gedicht ‘Phones’ is van de Griekse dichter Kavafis en betekent zoveel als ‘stemmen’. Het gaat over stemmen van dierbare gestorvenen of mensen die we niet meer kunnen ontmoeten – hun stemmen, die klinken als muziek in onze oren, raken we maar niet kwijt uit onze gedachten en dromen.”

– De afgelopen jaren componeerde je voornamelijk koorwerken. Je schreef daarvoor verschillende liturgische werken. Zijn muziekstukken voor koren tegenwoordig veel anders dan die van, laten we zeggen, een eeuw geleden?

“Misschien kun je zeggen dat we op dit moment in artistieke zin in een zeer eclectische tijd leven – de naweeën van het postmodernisme, zo je wilt. Uiteraard brengt iedere tijd zijn eigen muziek voort, en iedere componist probeert zijn of haar eigen taal of geluid te ontwikkelen. Maar er wordt heden te dage stilistisch veel ‘overgenomen’ uit andere stijlperioden. En toch probeert iedere componist zijn eigen taal en/of geluid te ontwikkelen. Dat heeft zich door de jaren heen ontwikkeld – er was geen moment waarop ik ‘het licht’ zag.”

– Op Spotify vond ik vier composities van jou voor een koor. Twee daarvan duren niet langer dan 1,5 minuut. Maak je graag hele korte composities?

“Ja, ik heb een grote voorkeur voor aforistische stukken. ‘De grote vorm’ heeft me nooit zo gelegen – al hoop ik nog steeds een keer te beginnen aan iets als een Requiem. Ik heb ooit eerder een Stabat Mater geschreven. Ja, religieuze thema’s blijven me inspireren. Maar ook gedichten van Rawie, Rimbaud of Marsman. Composities gebaseerd op teksten van voornoemde dichters zijn doorgaans ook redelijk kort.”

– Je bent ook één van de oprichters van de Stichting Muziek Nu. Wat is dat precies voor een stichting?

“Deze stichting heb ik samen met mede-musicus Arjan van Baest opgericht. De stichting beoogt het organiseren van concerten waarbij diverse kunst-uitingen, waaronder beeldende kunst, literatuur, theater en muziek, op een toegankelijke manier samenkomen en er steeds gezocht wordt naar verrassende, contrasterende motieven. Het afgelopen jaar stond in het teken van de productie van een CD. De zogenaamde Droomconcerten waren eenmalig en bedoeld om de CD ‘Dromen op muziek’ te presenteren aan het publiek. Dit jaar geven we op zondag 22 december in de kapel van Mariëngaarde in Tilburg-West een kerstconcert rond het thema ‘De Pastorale’. Samen met het hedendaagse muziekgezelschap CoMa en een projectkoor proberen we met een kritische blik naar het herderlijk tafereel rond de kerststal te kijken. Arjan en ik hebben nieuwe stukken geschreven rond dit thema en gewezen museumdirecteur Frans Ellenbroek is spreekstalmeester van dienst. Het belooft weer een verrassend uurtje te worden. Wees welkom!”

– Is een Droomconcert het hedendaagse muzikale equivalent van de viering van de heilige mis?

“Nee, totaal niet – alhoewel er over het algemeen wel dramatisch of theatrale parallellen te vinden zijn tussen een seculier concert en religieuze liturgie. Het gaat dan om de vorm waarin de inhoud gepresenteerd wordt – op een betekenisvolle en overtuigende wijze. Misschien gaat het allemaal wel om de ‘levendige wijze’ van presenteren of beleven.”

– Op je site staan dertien composities van jouw hand. Je laatste compositie dateert uit 2015. Ben je niet meer zo actief als componist of worden latere composities nog niet vermeld?

“Uiteraard heb ik meer muziek geschreven dan die stukken die op mijn website vermeld staan. Vanwege de gelukkige omstandigheid dat ik vader ben geworden van een zoon van inmiddels een jaar oud moet ik bekennen dat de productie van nieuwe stukken tot een minimum beperkt is gebleven het afgelopen jaar. Maar mijn website is ook wel enigszins verouderd. Ach ja, zo gaan die dingen… Ik houd het niet voldoende bij. Op de CD ‘Dromen op Muziek’ staat overigens het meest recente stuk van mijn hand, een werk voor cello en piano. De CD is nog altijd op internet te bestellen via de website van de Stichting Muziek Nu.”

– Door de Stichting Vrienden van de Tilburgse Beiaard is je gevraagd om voor de maand december korte uurstukken te componeren. Is het ook de eerste keer dat je werken voor een beiaardautomaat hebt gecomponeerd?

“Dit is de eerste keer, ja.”

– Hoe anders is het om een compositie voor de beiaardautomaat te schrijven in vergelijking met andere instrumenten?

“Ieder instrument heeft zijn eigen karakteristieken uiteraard. Nu heb me laten vertellen dat het aan te bevelen is om voor de beiaard noten te schrijven die op de piano helder klinken met het rechterpedaal ingedrukt – zodat alles door elkaar klinkt. Dat heb ik dus maar geprobeerd.”

– Ben je tevreden met hoe de composities voor de automaat zijn geworden en hebben ze ook een titel gekregen?

“Ik heb de set van korte stukjes ‘Klanken voor Kai’ genoemd. De drie letters van mijn zoon Kai zijn in muzieknoten te noteren als D-A-B. Dit motief heb ik in alle drie de stukjes op vrije wijze verwerkt. Ik hoop dat de stukken door de automaat transparant genoeg klinken.”

– Heb je je uurstukken al gehoord op de beiaardautomaat, zo ja, hoe was dat?

“Nee, ik heb ze helaas nog niet gehoord.”

– Wat is er volgens jou zo typerend aan de klank van de beiaard of beiaardautomaat?

“Ik ben dol op het geluid van klokken – zowel het ‘beieren’ van kerkklokken als het vertrouwde stadsgeluid van de beiaard in diverse stadscentra. Het heeft een nostalgische component, ik zal het geluid missen wanneer het niet meer op gezette tijden klinkt. Persoonlijk zal ik niet een uur lang naar beiaardmuziek, hoe mooi vertolkt ook, gaan zitten of staan luisteren. Voor mij is het beiaardgeluid een omgevingsfactor en een onmiskenbaar onderdeel van het stadsgeluid. De stad zwijgt niet wanneer de beiaard klinkt of speelt – het stadsgewoel krijgt een ‘sonore glans’ op het moment dat de klokken klinken.”

– Hoe zie jij de toekomst van de (handbespeelde) beiaard? Zal het instrument over tien jaar nog te horen zijn in Nederland?

“Ik mag het hopen! Laten we de positie van stadsbeiaardier ook vooral niet opgeven. De automaat is een prima surrogaat voor de beiaardier op momenten dat die niet ‘live’ speelt. Laten we verder niet vergeten dat juist een beiaardier van ‘vleesch en bloet’ de uitgelezen ambassadeur van de beiaard is. Zijn of haar kennis en kunde moet in ere en in stand gehouden worden. Niet in de laatste plaats om ook nieuwe muziek tot klinken te brengen en variatie en diversiteit in stijlen te waarborgen.”

Continue reading...

Foto: G. van der Heyden

Recensenten vergeleken het werk van de Tilburgse gitarist en componist Frank Crijns (1960) met dat van muzikale grootheden als Brian Eno en Frank Zappa. Vooral over de vergelijking met de laatste, de man met dezelfde voornaam, valt veel te zeggen. Crijns zelf is er in elk geval zeer vereerd mee. Net als wijlen Zappa is Crijns een opvallend eigenzinnige muzikant en componist die dankzij de freejazz-invloeden van Zappa voortdurend aan het experimenteren en improviseren is. Over zijn muziek zei de Tilburger ooit in een interview: “Het gaat bij mij altijd om ritme, gelaagdheid en pulse. Ik hou namelijk van actie.”

Als muzikant en componist werkte hij samen met muzikanten als Fred Frith, Elliott Sharp, Tim Hodgkinson, Pavel Fajt en de Tilburgse muzikant Jacq Palinckx. Componeren doet hij al sinds 1985, het jaar waarin hij nog op de muziekschool in Tilburg zat in het compositieklasje van muziekdocent Henk Stoop. In hetzelfde klasje zaten ook andere Tilburgse componisten in opleiding, waaronder Jacq Palinckx, Frans Kerkhofs en Fons Mommers. Na de muziekschool ging hij naar het conservatorium, niet in Tilburg, maar in Rotterdam, alwaar het muziekonderwijs beter aansloot bij zijn achtergrond van free-jazz en natuurlijk Frank Zappa.

Samen met Dirk Bruinsma richtte hij de groep Blast op, waarmee hij meerdere albums opnam in verschillende bezettingen. Als componist werkte hij voor groepen als het Attacca slagwerkensemble, het Nederlands Balletorkest, het Trio Nu, het Quasar en Koh-I-Noor saxofoonkwartetten, het Fluittrio Tegenwind en vele anderen. Bekendheid kreeg hij bovendien als componist van hedendaagse nieuwe muziek en geïmproviseerde muziek. In 2015 bracht Crijns de door recensenten veelbesproken cd ‘[B]One’ uit, een plaat met voor ensembles en solisten gecomponeerde nummers. Op zijn cv staan verder ook opvallende klankvelden. Eentje daarvan, het tien jaar geleden gecomponeerde ‘Shade of Impulse’, maakte hij bij foto’s van dode dieren die te zien waren in de tentoonstelling ‘Dressed (Un) dressed’ van kunstenares Tineke Schuurmans.

Zijn oeuvre bestaat inmiddels uit circa tachtig composities. Componeren betekent voor Crijns tegenwoordig vooral zichzelf opsluiten. In een interview zei hij hierover: “Ik moet me als het ware onder een kaasstolp plaatsen. Wát ik ga schrijven hangt van de latere uitvoerders af en ook waardoor ik ben geïnspireerd. Componeren is voor mij zestig procent weggooien. Het is of niet goed genoeg of niet interessant genoeg. Het gaat bij mij altijd om ritme, gelaagdheid en pulse. Ik hou namelijk van actie.”

Dat alles is voor de Stichting Vrienden van de Tilburgse Beiaard reden genoeg om Crijns vrij werk voor de beiaardautomaat te laten componeren voor de maand november. En, om hem nader aan de tand te voelen over zijn werk als muzikant en componist.

– Kun je meer vertellen over je achtergrond? Waar ben je geboren, wanneer en waarom heb je besloten om muzikant te worden? En kom je uit een muzikale familie?

“Ik ben geboren in Sint Pieters Woluwe, een randgemeente van Brussel, in een non-muzikale familie. Mijn ouders waren vooral geïnteresseerd in sport en boeken. De interesse in muziek is vooral door vrienden gekomen. Zo rond mijn 24ste besloot ik fulltime voor de muziek te kiezen en als hoofdvak Compositie te gaan studeren aan het Rotterdams Conservatorium.”

– Je staat bekend als gitarist. Wat maakt een gitaar voor jou je favoriete instrument? En heb je ook op andere instrumenten gespeeld?

“Mede door invloed van mijn muzikale vrienden kwam ik rond mijn veertiende jaar in aanraking met de gitaar. Op die leeftijd maakte dat een diepe indruk op mij, zeker ook door de gitaristen die toen bekend of beroemd waren, bijvoorbeeld de Cubaanse gitarist Leo Brouwer, die zich vaak sterk maakte voor hedendaagse muziek voor gitaar, maar ook buitenlandse muzikanten als Jimmy Page en J. McLaughlin. Door hen ben ik gitaar gaan spelen. Naast gitaar speel ik ook basgitaar en wat piano.”

– Je bent ook improvisatiemuzikant en componist. Zijn optredens van jou ook altijd een mengelmoes van improvisaties en eigen composities?

“Als ik optreed als gitarist speelt improvisatie altijd wel een rol, maar het hangt van de context af in welke mate en de eventuele ruimte die er voor is. Improvisatie speelt in mijn gecomponeerde werken voor derden echter geen rol.”

– Eén van je langste muziekprojecten, zoniet de langste, is Blast. Van deze band, die optrad als 4tet, 6tet, 8tet en als trio, verschenen sinds 1992 zeven platen. Leden van deze band zijn tijdens optredens ook zelf dirigent, lees ik op je site. Wat moet ik me daarbij voorstellen?

“Op mijn site staat dat goed beschreven. Letterlijk staat daarop: we werken aan de ontwikkeling van nieuwe manieren van noteren en een manier van spelen waarbij de tijd met uiterste flexibiliteit wordt gebruikt en de spelers tegelijkertijd dirigent zijn. In de scores maken we gebruik van notatietechnieken, zoals noten op papier, polymetrie en een vrije keuze van parameters. Met het gebruik van samples en elektronica wordt een coherent geluid gecreëerd waarbij de overgangen worden geïmproviseerd, maar in gecomponeerd materiaal nauwelijks zijn op te merken. Hierdoor wordt de dynamiek breder en de spanning tussen abstracte en tonale muziek meer benadrukt. Omdat ik me altijd richt op het uitbreiden van de mogelijkheden, vernieuwt de muziek zichzelf voortdurend en klinkt geen enkel stuk twee keer hetzelfde.”

– Onder muziekkenners sta je vooral bekend als de gitarist van het guerrillarocktrio Betonfraktion, een band die het publiek met felle dissonante klankreeksen bestookt. Is jouw muziek door de jaren heen ook het beste zo te omschrijven: guerillarock? Of doe ik je werk hiermee tekort?

“De term guerrillarock is alleen van toepassing op het trio Betonfraktion, waarin ik speel. De Tilburgse poptempel Paradox omschreef de muziek als een licht ontvlambare cocktail van deels gestructureerde, deels geïmproviseerde energie. De muziek is luid, solide en gedreven. Mijn andere muziekstijlen of teksten staan daar behoorlijk ver vanaf. Stijlen of soorten muziek die je in mijn werk terugvindt zijn free-jazz, natural ambient, klankvelden en improvisaties voor gitaren.”

– Je meest recente cd, getiteld (B)One, is gevuld met eigen composities uit de afgelopen twintig jaar. De composities zijn geschreven voor ensembles en solisten. Volgens recensenten is het een unieke plaat door de ‘hoekige muziek met een stevige rocksmaak die overtuigt in z’n kracht, energie en dynamiek’. Zie jij dit album ook als de beste kennismaking met het werk van Frank Crijns?

“Ja, zeker wat betreft mijn hedendaags gecomponeerde werken. Overigens is ook hier de ‘rocksmaak’ alleen terug te vinden in één werk getiteld ‘Prospulsion’, dat ik schreef voor het Combustion Chamber ensemble.”

– Naar aanleiding van dit album trok de VPRO zelfs een vergelijking tussen jouw muziek en die van Brian Eno en Frank Zappa vanwege de ‘free-jazz’-invloeden en zeer woelige nummers op de plaat. Was je daar vereerd mee?

“Zeker. Hun invloed is hier en daar zeker aanwezig, maar er zijn nog veel meer inspirerende voorbeelden voor de bovengenoemde muziekhelden, zoals avantgardisten als Luciano Berio, Harrison Birtwistle, John Zorn, Wolfgang Rihm, Captain Beefheart, György Ligeti, B.A. Zimmerman en nog vele anderen…”

– Op (B)One zijn veel muzikale invloeden te horen. Niet alleen van jazz maar ook van Indiase muziek, bigband, ambient en klanken uit de hoek van Nederlandse grootmeesters als Louis Andriessen en Reinbert de Leeuw. Is er ook muziek waar je helemaal niets mee hebt?

“Ja, ik heb helemaal niets met schlagermuziek of UB 40.”

– De titel van het album (B)One heeft ook een dubbele betekenis, klopt dat?

“Er zitten inderdaad meerdere betekenissen in de titel, zoals bot, been en graad. B1 is ook een noot, de B van het contra-octaaf. Daarnaast is de B de open vijfde snaar op een gitaar.”

– Je schreef composities voor veel verschillende instrumenten: gitaar uiteraard, maar ook piano, clavecimbel, clarinet, viool, fagot en saxofoon. Wat was nou qua combinatie van instrumenten de grootste uitdaging?

“Voor mij was dat de combinatie van cimbalom, alt-sax, bariton-sax, trompet, elektrische gitaar, basgitaar, percussie, vibrafoon, marimba, cello en viool. Het was de instrumentatie van de cd ‘A Sophisticated Face’, waarop we speelden in een octet-bezetting.”

– In je meest recente werk zie ik veel composities voor elektrische gitaar, samplers en andere elektronica. Heb je de akoestische instrumenten tijdelijk afgezworen?

“Nee, zeker niet. Het is voor nu een tijdelijke praktische benadering wat betreft speel- en organisatorische mogelijkheden.”

– In totaal heb je al ruim tachtig composities op je naam staan. Een muziekdocent zei ooit tegen je: ‘Je moet als componist vooral weten wat je niet wilt’. Heeft deze man ook een betere componist van je gemaakt?

“Jazeker. Hier bedoelde hij mee dat in een compositieproces je je materiaal moet afbakenen of laten uitkristalliseren, zodat je je eigen muziektaal ontplooit.”

– De geldstromen richting Brabantse componisten en muzikanten zijn niet altijd enorm geweest. In een interview op internet las ik dat je jarenlang wel als componist een inkomstenbron had, maar niet als gitarist. Dat was in 2015. Hoe is dat nu?

“Sinds de grove bezuinigingen op cultuur van 2011-2012 door Halbe Zijlstra zijn veel ensembles verdwenen en de compositie-opdrachten verminderd. Echt rooskleurig is de situatie niet.”

– Is het gegeven dat een beiaard een instrument is dat te horen is in de openbare ruimte van invloed geweest op het componeren van je vrije werk voor de beiaardautomaat? Of heb je daar niet specifiek aan gedacht?

“Niet echt, hoewel de titel ‘Flock’ er indirect wel naar verwijst. Flock betekent kudde, zwerm of gemeente. In deze titel zijn de uitwaaierende klanken in de compositie en de signaal- cq oproepfunctie vanuit een kerktoren mooi gecombineerd.”

– Was dit de eerste keer dat je vrij werk voor de beiaardautomaat componeerde?

“Wel voor de automaat. Ik was echter bekend met de klank van de beiaard, want ik had al eerder werk geschreven voor de beiaard. In 1996 heb ik namelijk het stuk ‘Deux regards sur un rituel’ geschreven, wat toen enkele keren door stadsbeiaardier Carl van Eyndhoven op de beiaard is uitgevoerd.”

– Waarin schuilt volgens jou het specifieke of eigene van een beiaard?

“Het zich verplaatsen van de klank. Maar ook de associatie met kerktorens natuurlijk.”

– Denk je dat handbespeelde beiaards ooit geheel vervangen gaan worden door beiaardautomaten?

“Daar is wel een redelijke kans op, al hoop ik het niet voor de beiaardiers.”

Continue reading...

Foto: Pieter Rambags

Ze is een gevierd zangeres met een fluwelen stem en een buitengewoon gevoel voor jazz. Sanne Rambags (1994), geboren te Goirle, groeide op in een muzikaal gezin, waar muziek klonk van grote Amerikaanse sterren die mede de basis legden voor Sannes improvisatietalent, haar muzikaliteit en de behoefte aan subtiele stiltes daarin. In haar bio op internet stelt de zangeres en componiste dat ze haar luisteraars wil ‘bewegen’ op haar eigen weloverwogen en zeer persoonlijke manier. Ze gebruikt haar stem om haar diepste gevoelens vrij te uiten, zonder grenzen, in interactie met haar collega-muzikanten, lezen we in de bio.

Rambags deed er ook alles aan om haar droom om zangeres te worden te kunnen verwezenlijken. Ze nam initiatieven en risico’s en leerde van ervaren en inspirerende muzikanten. Door zichzelf bloot te geven, werd ze bijvoorbeeld gezien door Martin Fondse, de dirigent en artistiek directeur van het Nationaal Jeugd Jazz Orkest van Nederland. Ondertussen voltooide ze in 2017 in Tilburg een Bachelor of Music in Jazz Studies (richting: Vocal Performance) aan de Academy of Music and Performing Arts (AMPA). Het was ook tijdens haar studie dat ze de muziek van zangeres Susanne Abbuehl ontdekte onder wie ze zou studeren in Luzern. De zangeres won verder al een belangrijke prijs, de Edison Jazz/World, die ze eerder dit jaar in ontvangst mocht nemen. Die prijs kreeg ze voor het album Listen To The Sound Of The Forest, dat ze maakte samen met pianist Sjoerd van Eijck en trompettist Koen Smits onder de naam Mudita.

Inmiddels maakte Rambags drie tijdloze albums, met het prijswinnende album als de opvallendste en meest betoverende plaat, die volgens de deskundigen ver buiten de grenzen van het veilige muzieklandschap treedt. De plaat is vooral ook een hommage aan de natuur. In een interview met deze site zegt ze over één van haar grote inspiratiebronnen. “De natuur is onbevooroordeeld. Ik kan daar zijn wie ik ben, daar is het goed. Het is natuurlijk altijd al goed en ik kan altijd zijn wie ik ben, maar in de stad, tussen de mensen, vind ik dat moeilijker. De natuur is stil, ze kan luisteren, ze kan troosten en ze waarborgt de mooiste schatten.”

De voorslagen die ze voor de maand november bedacht voor de Tilburgse beiaardautomaat, klinken helaas ver van de natuur, sterker: ze klinken midden in de stad. Voor Rambags betekende dat juist een uitdaging. “Ik zag deze compositie-opdracht als een kans om een groter publiek een positieve intentie te laten horen via muziek. Zo heb ik drie stukken geschreven: ‘Geloof (in) Jezelf’, ‘Ik ben, ik ben, ik ben bijzonder’ en ‘Luister naar je hart, volg de innerlijke stem’. Als de klokken luiden dan hoor je indirect deze krachtige affirmaties. Misschien voelen mensen ze zelfs wel”, aldus Rambags.

– Kun je iets vertellen over je achtergrond? Wanneer en waarom heb je besloten om zangeres te worden en kom je uit een muzikale familie?

“Ik ben opgegroeid in een muzikaal gezin en grootgebracht met de muziek van Pat Metheny, Jan Garbarek, Joni Mitchel en vele anderen. Er werd veel jazzmuziek geluisterd thuis. Dit heeft veel invloed gehad op mijn latere keuze in het maken van de muziek die ik nu maak: verstild, experimenteel, geïmproviseerd. Toen ik nog heel jong was zong ik al met deze muziek mee, met instrumentalisten, ik zong de solo’s. Zo heb ik op jonge leeftijd al geleerd om mijn stem als instrument te gebruiken.”

– Je noemt jezelf zangeres, componiste en improvisator. Wat doe je precies als improvisator?

“Letterlijk, vrij improviseren. In het moment voelen wat er zich aandient en die ideeën verklanken met mijn stem. Er spelen veel factoren mee tijdens het improviseren. De plek, de musici, het publiek: ze zijn allemaal van belang voor de improvisatie en voor het creëren van een stuk muziek dat er nog nooit is geweest en ook nooit meer op die manier zal terugkomen.”

– Jij ziet muziek maken als een soort noodzaak, zeg je in een interview op YouTube. Dat wat diep in je zit moet eruit gehaald worden. Verlies je met zo’n streven niet een beetje het spontane plezier in het maken van muziek als er zo’n drang in je zit om jezelf te uiten?

“Die diepe noodzaak, de drang om het diepste van mijzelf te voelen en naar buiten te laten en te delen, is het grootste geluk wat er is. Het is magie. Ik ben op zo’n moment in een diepe verbinding met mijzelf en alle andere aanwezigen. Die verbinding is heel bijzonder, want we zijn allemaal gelijk op dat moment. Dat wat diep in je zit moet eruit gehaald worden. Het klinkt zo inderdaad vrij dwangmatig, maar ik bedoel het juist als iets heel fijns: datgene wat diep in mij zit mag ik tijdens een concert of het schrijven van een compositie delen. Die noodzaak die ik daarbij voel is de intensiteit waarmee ik dan musiceer. Dat zorgt er weer voor dat de diepe verbinding kan ontstaan en alles om mij heen kan verdwijnen.”

– De muziek die je maakt wordt door muziekkenners en jezelf omschreven als ‘droomachtig’. Vind je dat ook de beste omschrijving van je werk?

“Ik zou eigenlijk niet zo goed weten hoe ik mijn eigen muziek zou moeten omschrijven. Droomachtig is één element. Je wordt door de muziek uitgenodigd om een soort reis te maken, alles los te laten en te sluimeren met jezelf en met elkaar. Om dus naar binnen te keren.”

– Hoe ben je eigenlijk in de wereld van de jazz-muziek terechtgekomen?

“Door mijn ouders. Door het luisteren naar hun muziek van jongs af en aan. Later natuurlijk door het volgen van een studie aan het conservatorium. Via die weg bouw je aan een netwerk en leer je veel musici en podia of festivals kennen.”

– Je bent ook componiste. Zitten er in jouw composities ook vaak jazz-achtige invloeden?

“Totaal niet. Ik zou mijn eigen muziek niet eens meer ‘jazz’ willen noemen. Het enige element uit de jazz dat hoorbaar is in mijn composities is de improvisatie. Mijn composities zijn niet gegrond op theoretische kennis uit de jazz. Ik verklank wat ik voel, ik schrijf heel intuïtief. De scholing die ik heb gehad op het conservatorium zorgt dat ik datgene dan ook kan noteren en delen met anderen.”

– Denk je dat je ook in de jazz-muziek was beland als je niet in Tilburg was opgeleid? Tilburg is wel een beetje dé Nederlandse jazz-stad.

“Zeker! Maar dit ligt bij jezelf, niet in een stad. Tilburg heeft een bloeiende jazz-scene met Paradox als tempel voor de muziek. Paradox voelt als mijn ‘tweede thuis’. Ik ben er al zeven jaar vrijwilliger. Ik heb er veel kansen gekregen om me muzikaal te ontwikkelen en nieuwe muziek te ontdekken. Maar jazz is overal, muziek is overal. Ik denk niet dat het uitmaakt waar je vandaan komt, waar je woont of waar je hebt gestudeerd. Het is maar net hoe je er zelf naar op zoek bent gegaan, welke keuzes je hebt gemaakt en wat je er zelf  hebt uitgehaald.”

– Met het album Listen To The Sound Of The Forest won je een Edison. Het album is een hommage aan de natuur en mystiek van het hoge noorden. Welke speciale band heb je met de natuur? En, wat heb je met het hoge noorden?

“De natuur is onbevooroordeeld. Ik kan daar zijn wie ik ben, daar is het goed. Het is natuurlijk altijd al goed en ik kan altijd zijn wie ik ben, maar in de stad, tussen de mensen, vind ik dat moeilijker. De natuur is stil, ze kan luisteren, ze kan troosten, ze waarborgt de mooiste schatten, ze is puur en oprecht, ze nodigt mij uit om ook te ‘zijn’. Noorwegen voelt als mijn thuis. Al sinds mijn babyjaren ga ik er elk jaar op vakantie, eerst met mijn ouders, nu alleen met mijn vriend. En sinds een paar jaar mag ik er ook naartoe voor de muziek. De stilte en sereniteit is heel bijzonder daar. Als ik naar de Fjorden kijk of boven op de bergen naar het nevelige berglandschap, het uitzicht, dan voelt het alsof ik daar mezelf zie. Ik ben daar, net als in het maken van muziek, helemaal verbonden met mezelf.”

– Voor je muziek heb je je ook laten inspireren door het werk de Noorse schilder Edvard Munch. Is dat niet heel erg lastig om schilderijen te vertalen naar muziek?

“Het vertalen van de schilderijen naar muziek is één van mijn manieren van componeren. Ik heb een lichte vorm van synesthesie. Dat betekent dat ik bij getallen en letters kleuren zie. Ik zie ze bij woorden, maanden en bepaalde situaties. Ze hebben kleuren en een bepaalde sterke sfeer. Wat ik met die schilderijen heb gedaan, is de kleuren vertalen naar de noten. Zo is blauw bijvoorbeeld A of Ab en groen F. Zo dient het als een soort opzet om een nieuw stuk te schrijven.”

– Je treedt op over de hele wereld. Wat was volgens jou tot nog toe het ultieme hoogtepunt in je muzikale loopbaan?

“Oei, daar heb ik geen antwoord op. Ieder moment is speciaal in haar eigen manier. Ik heb door de reizen en alle kansen en ervaringen in mijn muzikale loopbaan zoveel al mogen leren. Allereerst over mijzelf, maar ook over muziek en het leven in het algemeen. Ik heb zoveel mooie plekken ontdekt en mensen ontmoet. Dat is voor mij allemaal waardevol.”

– Voor de Tilburgse beiaardautomaat heb je vrij werk gecomponeerd voor de maand november. Ben je tevreden met hoe je compositie is geworden?

“Ja, ik ben tevreden. Ik heb nog nooit zoiets gedaan: driestemmig componeren. En al helemaal niet voor een beiaard.  Dat was dus heel bijzonder. Het componeren voelde verder als een ‘gevoelspuzzel’ maken en oplossen. Ik ben de composities op een bepaalde manier gaan schrijven volgens eenzelfde soort uitgangspunt als de kleuren vertalen naar noten: zo heeft elke letter van het alfabet een cijfer: A=1 B=2 C=3, etcetera. Ik ben woorden en zinnen gaan maken en die heb ik omgezet naar noten. In elke compositie ben ik op de C begonnen. De compositie-opdracht zag ik verder als een kans om een groter publiek een positieve intentie te laten horen via muziek. Ik heb uiteindelijk drie composities  geschreven: ‘Geloof (in) Jezelf’, ‘Ik ben, ik ben, ik ben bijzonder’ en ‘Luister naar je hart, volg de innerlijke stem’. Als de klokken luiden dan hoor je indirect deze krachtige affirmaties. Misschien voelen mensen ze zelfs wel!”

– Hebben je composities ook een titel gekregen?

“Geen algehele titel, al is het leuk om daar nog over na te denken. Voor nu hebben de drie stukken afzonderlijk van elkaar de bovengenoemde titels.”

– Wat was verder het moeilijkste onderdeel van het componeren voor de beiaardautomaat?

“Het puzzelen van de samenklinkende noten. Maar dat was ook weer het leukste. Als ik het dan had gevonden wat het moest zijn, voelde dat heel bijzonder. Toen ik de composities voor het eerst terughoorde, gespeeld door de beiaardautomaat, hoorde ik wel waar ik nog veel kan leren voor dit instrument. Niet alle harmonieën klinken even mooi of hoe ik ze bedoeld had. Dit in verband met de boventonen en het uitklinken van de noten. Daar zou ik nog meer in kunnen duiken voor een volgende keer.”

– Wanneer ben je tevreden over een eigen compositie?

“Ik ben heel snel tevreden over een compositie. Het kleinste idee is al iets krachtigs op zichzelf en heeft al iets te vertellen. Zolang je het maar met intensiteit speelt. Daarom speel ik een nieuwe compositie heel snel, ook om het meteen al vanaf het begin te laten ontwikkelen. Dat komt ook omdat de composities veel vrijheid hebben en open plekken waar ruimte is voor improvisatie. Als je improviseert is er geen goed of fout. Maar er is vaak wel één ‘criterium’ dat ik heb. Dat klinkt streng, maar de muziek moet kloppen en goed zijn. Ik moet om een eigen stuk kunnen huilen. Alsof het mijzelf heeft geraakt.”

– Heb je voor je compositie voor de Tilburgse beiaardautomaat ook aan jazz-muziek gedacht? Kun je überhaupt een beiaard jazzy laten klinken?

“Daar heb ik niet over nagedacht. Ik zou de beiaard ook niet jazzy willen laten klinken. Ik wil de beiaard laten klinken als de klanken die ik diep van binnen voel en wil delen. Ik wil de beiaardautomaat als Sanne laten klinken.”

– Je bands zijn vaak trio’s, zoals Under the Surface en Mudita. Je werkt ook nog niet onder je eigen naam. Wat ik begrijp is dat je wel muzikanten zoekt die onder jouw naam willen gaan optreden, klopt dat?

“Dat klopt. Op dit moment zit ik nog in mijn onderzoekende fase. Ik ben op zoek naar musici die op álle niveaus matchen met hoe ik mijn muziek wil vertolken. Ik ben op zoek naar de balans tussen Sanne, de zangeres, en Sanne, de instrumentalist. Ik ben net een onderzoek gestart getiteld SONNA, ‘The Resonating Voice’. Ik ga volgend jaar een solo- album maken en uitgeven onder mijn eigen label, SONNA Records, dat ik ook volgend jaar met de release van het album ga oprichten. Met het onderzoek en het solo-album wil ik nog meer de diepte in mezelf verkennen. Waar kan ik bijvoorbeeld nog naar toe met mijn stem en muziek, waar ik nog niet bij kan? Ik wil een stevige basis creëren en mijzelf met mijn stem en muziek totaal doorgronden. Zodat ik vanuit dat gevoel alles aan kan en verschillende projecten en samenwerkingen kan starten, waaronder mijn eigen ensemble. Ik begin al vaag een idee te krijgen hoe dat eruit gaat zien. Geen trio, maar een kwartet. Met een cello, een contrabas en drums.”

Bekijk hier video’s van optredens van Sanne Rambags.

Continue reading...

Foto: Rens Horn

Jazz-recensenten zijn het vrijwel allemaal eens met elkaar als het gaat om jazz-pianist Jeroen van Vliet. Een groot talent, een meester in de nuance: zo wordt de muzikant in een paar woorden getypeerd. Op internet schrijft één van hen: “Na 60 minuten weet je wat de schoonheid van geïmproviseerde muziek betekent”. Op zijn website kondigt Van Vliet intussen een nieuw album aan van één van zijn jazz-ensembles, het Moon Trio. Het is het tweede album van de groep. “Met nieuwe composities, verschillende aanvullende elektronische apparatuur, MOON TRIO 2.0. De stukken zijn zeer specifiek van karakter, er is rust en een relaxte groove en vooral veel ruimte om te ervaren”, zo schrijft hij op zijn website over het nieuwe album.

Wie het CV leest van de in Rosmalen geboren Van Vliet (1965) kan ook alleen maar bewondering hebben voor de man die te horen was op tal van kleine en grote muziekpodia in de hele wereld. In Nederland speelde hij onder meer op het North Sea Jazzfestival, het Oerol Festival en in een groot aantal muziektheaters door het hele land heen. Een hoogtepunt in zijn muzikale carrière was het winnen van de belangrijkste Nederlandse jazz-prijs: de Boy Edgar prijs. Het was niet zijn eerste prijs. Al in 1985 won hij als 19-jarige tijdens het concours van het Middelsee Jazztreffen in Leeuwarden de solistenprijs, zijn allereerste prijs als jazz-muzikant.

In het CV van Van Vliet duiken verder ook namen op van andere grootheden uit de Nederlandse jazz-wereld, zoals  altsaxofinist Paul van Kemenade en jazz-trompetsist Eric Vloeimans. Het was Van Kemenade die in 1988 de kwaliteit in het spel van Van Vliet ontdekte. Het bezorgde de laatste een plek als pianist in het nieuwe kwintet van Van Kemenade. Voor beiden vormde het bovendien het begin van een langdurige samenwerking.

De Stichting Vrienden van de Tilburgse Beiaard is kortom zeer verheugd met het feit dat een groot pianist als Van Vliet aan een leuke opdracht wilde meewerken: het schrijven van vrij werk voor de beiaardautomaat voor in de maand oktober. In een interview met deze website zegt de pianist dat beiaardiers, net als zovele andere culturele en kunstzinnige uitingen, van levensbelang zijn voor het voortbestaan van een evenwichtige samenleving. “Ik vind de aanwezigheid van een beiaard in de stad, en zeker als die regelmatig bespeeld wordt en er nieuwe composities worden uitgevoerd, een geweldige rijkdom”, aldus Van Vliet.

– Kun je meer vertellen over je achtergrond? Kom je bijvoorbeeld uit een muzikale familie?

“Mijn ouders zijn beiden met een creatief beroep gestart, namelijk als etaleur bij een groot kledingbedrijf, en mijn vader heeft zijn hele leven gezongen en kende een groot Gregoriaanse repertoire uit zijn hoofd. Maar zij bespeelden geen instrument. Vreemd genoeg was ik al vanaf mijn zevende jaar geïnteresseerd in pianomuziek en luisterde ik oeverloos naar pianoconcerten van Mozart, Beethoven en Chopin. Op mijn tiende kreeg ik mijn eerste piano-les waarin ik zowel het van blad spelen als het improviseren leerde.”

– Waar heb je gestudeerd of welke muziekopleiding(en) volgde je als muzikant in spe?

“Ik begon op de muziekschool in Goirle, waar ik woonde, met lessen van Willem Kühne. Op mijn achtiende startte ik de klassieke opleiding aan het Brabants Conservatorium bij Theo Bles, en na 2 jaar verruilde ik mijn hoofdvak klassiek piano voor het hoofdvak piano-geïmproviseerde muziek. Na de ‘Docerend Musicus’-opleiding volgde ik bij Bert van den Brink en Jasper van ‘t Hof de ‘Uitvoerend Musicus’-opleiding aan de HKU in Utrecht.”

– Je bent pianist, maar heb je ook altijd pianist willen worden?

“Ik wist na mijn eerste piano-les al dat dat het zou gaan worden en heb nooit een ander beroep voor ogen gehad.”

– Je recentste cd is het duo-album Pluis. Die maakte je samen met (tenor)saxofonist Mete Erker. Als ik de muziek op dit album beluister, word ik daar erg vrolijk van. Is dat ook de bedoeling, dat je muziek een goede vibe opwekt bij de luisteraar?

“Dat is mooi meegenomen! Wat ik beoog, ook samen met Mete, is om oprechte muziek te maken die iets persoonlijks uitdrukt en waar mensen zich mee kunnen verbinden en waar ze zich door laten raken, op wat voor manier dan ook.”

– De cd Pluis heeft ook een speciaal hoesje gemaakt van vilt. Was dat bedoeld om een speciale stemming op te roepen bij de muziek, nog voor het afspelen van de cd?

“Min of meer wel, ja. Het gaat ons om de ervaring, of die nou taktiel of auditief is. Net als geur bijvoorbeeld kan iets tasten misschien iets openzetten. Maar elke interpretatie is uiteraard okee. We willen mensen niet sturen in hun beleving van de muziek.”

– Een krant schreef over je cd dat de muziek zich op de grens bevindt van compositie, improvisatie en kamermuziek. Is dat ook de beste omschrijving?

“Dat past allemaal, maar voor mijzelf zijn de labels niet zo van belang. Waar het mij om gaat is om steeds in het moment te volgen wat zich muzikaal aandient, en de mogelijkheid te hebben dat ook te doen. Composities zijn vastgelegde en bijgeschaafde improvisaties, die als het goed is kunnen dienen als route om ter plekke iets muzikaals uit te drukken.”

– Je eerste solo-cd Who’s Afraid nam je op in de befaamde Rainbow Studio in Oslo. Hoe was het om in die studio te werken en muziek op te nemen?

“Die eerste keer – ik ben er inmiddels vier keer geweest – was dat erg indrukwekkend. De groten der aarde hadden daar met technicus Jan Erik Kongshaug gewerkt en daar kwam ik als broekie van 29 jaar solo piano opnemen. Maar het was een geweldige ervaring die me veel gebracht heeft in termen van presentie en klankbewustzijn.”

– Een andere cd die je onder je eigen naam uitbracht is Wait. Op de cd staat hele sfeervolle, bijna cinematografische muziek die me een beetje doet denken aan het werk van de beroemde pianist en filmcomponist Michael Nyman. Is dat ook één van je idolen?

“Nee, eerlijk gezegd niet. Wat Nyman maakte voor de film ‘The Piano’ is heel treffend en functioneel voor de film. Wat ik met Wait wilde maken, was mijn eigen kleur en kwaliteit die wat mij betreft ook autonoom overeind zou moeten kunnen staan. De muziek van Wait is overigens vaak ook veel abstracter.”

– Je eerste muziekprijzen won je al in 1985. Je was toen twintig jaar. Hoe is het om zo jong al prijzen te winnen?

“Dat geeft moed. En moed kan ik bij tijd en wijle wel gebruiken. Zelfzekerdheid is niet mijn eerste natuur. Dus dat was fijn en het heeft me geholpen om door te zetten.”

– In 2014 kreeg je de belangrijkste Nederlandse jazz-prijs toegekend, de Boy Edgar-prijs. Hoe was het om die prijs te krijgen? En legt zo’n prijs niet veel meer druk op jezelf als muzikant, omdat mensen mogelijk meer van je gaan verwachten?

“Die druk was, naast de verwondering en de blijdschap, een groot obstakel in het begin. Het ontregelde me eerst. De prijs gaf me wel de mogelijkheid om nieuwe projecten te ontwikkelen, zoals Moon Trio, en veel te spelen, zoals met de ‘Zeeland Suite Revisited’ die ik toen net gemaakt had.”

– Je speelde met heel veel mensen/muzikanten samen. Eén van de bekendste muzikanten waarmee je samenwerkte is jazztrompettist Eric Vloeimans. Hoe was het om met hem samen te werken?

“Ik werk nog steeds met hem samen! Dat is een feest, Eric weet supergoed wat hij wil en heeft een ongelooflijk sterke podium-precense. De muziek komt uit z’n tenen en daarmee overtuigt hij. In januari gaan we met Gatecrash, zijn elektrische quartet, weer touren door Nederland.”

– Samen met Herman Coenen maakte je ook een album met Nederlandstalige songs. Je schreef daar ook de composities voor. Wat trekt jou in het maken van Nederlandstalig werk?

“De twee cd’s die met Herman Coenen maakte, ‘Alleen nog maar de zon schilderen’ en ‘Tegen de keer’, bestaan beide uit gesproken proza en poëzie waarbij ik steeds uit de eerste hand heb geïmproviseerd. Ik hou erg van het werk van Herman. Hij neemt je mee naar vaak verstilde plekken en subtiele ervaringen.”

– In de groep Moon Trio speel je niet alleen piano, je verzorgt ook de elektronische effecten. Hoe belangrijk is elektronica in je werk/composities?

“Elektronica is al jaren een intrigerend speelgoed voor mij. Het geeft de mogelijkheid een instrument te verrijken en ‘aan te kleden’. Het kan muzikale sferen en contexten genereren die de akoestische piano juist laat glanzen. Hoewel ik het erg leuk vind om daarmee te werken, is het ook vaak een zoeken naar de balans tussen die twee  werelden.”

– In hoeveel muziekgroepen heb je eigenlijk al gespeeld? En speelde je in die groepen altijd op de toetsen?

“Ik kan ze na al die jaren niet meer tellen, het zijn er vele. Ik speelde altijd piano en/of Fendare Rhodes, Würlitzer-piano of synthesizers.”

– Voor de Tilburgse beiaardautomaat heb je de vrije compositie gecomponeerd voor de maand oktober. Ben je tevreden met hoe de compositie is geworden?

“Toch wel, ook dat was natuurlijk zoeken. Ik probeerde me voor te stellen hoe de beiaard in de stad zou klinken, en voor mij is klokgelui iets vertrouwds dat me ook even wakker maakt uit hetgeen ik aan het doen ben. Dat wakker maken wilde ik erin hebben. Ik heb geprobeerd dat te bereiken door middel van ‘reveille-achtige’ klanken die als een soort signalen zouden moeten werken.”

– Heeft de vrije compositie ook een naam gekregen?

“Vanwege bovenstaande heet het nu ‘Signalen’.”

– Biedt het componeren voor een beiaardautomaat je dezelfde vrijheid als componeren voor piano of zijn er bepaalde beperkingen waar je rekening mee moet houden?

“De beperkingen zijn natuurlijk de omvang maar vooral de klank van de klokken: veel samenklanken zijn onhandig en ook sommige modulaties werken niet. Wat wel handig was, aangezien het werk door een beiaardautomaat wordt uitgevoerd, was dat ik geen rekening hoefde te houden met de twee handen van een beiaardier. En ook niet met muzieknotatie. Daardoor had ik meer vrijheid in het schrijven ervan.”

– Hoe zie jij de toekomst van de stadsbeiaardier? Kan hij/zij nog lang mee of denk je dat de ouderwetse beiaardier een uitstervend ras is?

“Het zou geweldig zijn als het in ere wordt gehouden. Ik vind de aanwezigheid van een beiaard in de stad, en zeker als die regelmatig bespeeld wordt en er nieuwe composities worden uitgevoerd, een geweldige rijkdom. Deze traditie heeft een verbindende rol voor de bewoners van de stad.”

– Er dreigen nu al beiaardiers te worden wegbezuinigd. Horen we over tien jaar alleen nog maar beiaardautomaten?

“Hopelijk niet. Ik hoop dat we gaan begrijpen dat beiaardiers en zovele andere culturele en kunstzinnige uitingen, van levensbelang zijn voor het voortbestaan van een evenwichtige samenleving. Ik zie om me heen dat dat besef bij veel mensen leeft en ik hoop dat dat ook door beleidsmakers meer en meer wordt begrepen en wordt omgezet in duurzaam en genereus cultuurbeleid.”

Continue reading...

Hij werd opgeleid tot accordeonist en was ooit dichter. In beide hoedanigheden trad hij ook op. Volgens eigen zeggen kwam hij er echter al snel achter dat hij liever iets creëert dan dat hij op het podium staat. Het was daarom dat hij zich ontwikkelde tot componist en interdisciplinair kunstenaar. De in Eindhoven geboren Merijn Bisschops (1981) heeft inmiddels een groot aantal kunstwerken op zijn naam staan, waarin verschillende disciplines, zoals tekst, beeld en geluid, onlosmakelijk met elkaar zijn verweven.

Wie foto’s van Bisschops bekijkt op de website van de kunstenaar ontdekt een schitterende, verstilde en bijna mythische wereld in het hoge noorden van Europa. De foto’s hebben volgens de maker ook allemaal iets muzikaals, waarbij de kleurrijke landschappen perfect aansluiten bij Bisschops’ muzikale werk dat door hemzelf in drie woorden wordt omschreven als ‘pulserend, stuwend en mijmerend’. In de muziek van Bisschops klinkt vooral een filmisch geluid met als contrast een ongepolijste en eigenzinnige ritmiek.

Zijn werk was al te zien en te horen op muziek-en filmfestivals en verschillende musea, zoals het muziekfestival November Music, museum De Pont, het Van Abbemuseum, het EYE filmmuseum, het Theaterfestival Boulevard en het Museum Beeld en Geluid. Werk van de kunstenaar reisde bovendien de halve wereld rond: van Italië tot Taiwan. Ook de Stichting Vrienden van de Tilburgse Beiaard staat inmiddels op zijn lijst opdrachtgevers. Van Bisschops zijn in oktober ieder weekend korte uurstukken te horen via de beiaardautomaat. Reden voor een kennismaking met deze allround kunstenaar.

– Kun je iets vertellen over je achtergrond?

“Kunst en muziek in het bijzonder zijn al lang een belangrijk onderdeel van mijn leven. Ik speelde accordeon op de muziekschool, maakte toen mijn eerste composities, en heb performances gedaan als dichter. Ik heb de opleiding accordeon docerend musicus afgerond aan het Fontys Conservatorium in Tilburg, maar ik kwam er vrij snel na mijn studie achter dat ik liever creëer dan dat ik op het podium sta. Ik ben gestopt met optreden als accordeonist en dichter en heb me ontwikkeld als componist en interdisciplinair kunstenaar. Ik heb wat compositielessen gehad, maar ik ben grotendeels autodidact; hetzelfde geldt voor mijn ontwikkeling als fotograaf en filmmaker.”

– Op je website noem je jezelf een ‘audiovisual artist’. Geluid en beeld zijn dus twee belangrijke onderdelen van je werk. Heb je ook een lichte voorkeur voor audio ten opzichte van beeld of andersom? Of vind je beide even interessant?

“Ik heb enkele vaste uitgangspunten voor mijn interdisciplinaire werk en de belangrijkste daarvan is dat de disciplines in hun uitvoering gelijkwaardig zijn. Ze werken samen, versterken en beïnvloeden elkaar, zitten elkaar soms in de weg, maar kunnen ook zelfstandig worden gepresenteerd en gewaardeerd. Omdat ik korter professioneel bezig ben met beeldend werk is in die discipline voor mij nu meer in te ontdekken, maar muziek zal er altijd op gelijke hoogte naast blijven staan.”

– Jouw werk wordt omschreven als een combinatie van visuele esthetiek, muziek en relativerende humor. Kun je een voorbeeld geven van hoe je humor toevoegt aan je werk?

“Humor speelt vooral een rol als ik met tekst en/of film werk. Deze teksten schrijf ik zelf; liedteksten of het script voor een film of performance. Als ik thematisch werk heb ik een sterke voorkeur voor zwaardere thema’s, dat kan heel universeel of zeer persoonlijk zijn, als het mij maar filosofisch uitdaagt. Al dat gewicht is gebaat bij een tegenwicht. Wanneer mensen kunnen lachen om iets wat tegelijkertijd pijn doet schept dat een boeiend spanningsveld. Bij een uitvoering van mijn productie House of Fun – torture euphemism enkele jaren geleden, over de manier waarop martelen wordt verbloemd door overheden, media en taalgebruik, zaten zowel bezoekers te lachen als te huilen. Lachen tegen beter weten in zet mensen aan het denken.”

– In je werk zitten veel foto’s van overweldigende natuur, bijna zoals je deze alleen maar ziet in bladen als National Geographic. Wat heb je met natuur?

“Ik verblijf veel in de natuur om rust en ruimte te ervaren. Die rust en ruimte is steeds meer in mijn werk terug te horen en te zien.”

– Voor je werk verbleef je ook een tijdje op IJsland. Was dat voor jou tot nog toe ook de meest inspirerende plek om goede foto’s en composities te kunnen maken?

“De geomorfologie van het landschap, het licht, het weer, de ruimte, de eenzaamheid: IJsland is een enorm dankbare plek voor kunstenaars en ik zou er graag weer eens naar terugkeren. Maar de abstractie die ik door mijn lens zoek in het landschap is niet exclusief voorbehouden aan IJsland. Voor de oplettende kijker is die overal te vinden, ook in Nederland.”

– Hoe moeilijk is het om muziek te schrijven voor zelfgemaakte foto’s en vooral om de sfeer van die foto’s terug te laten keren in je muziek?

“Niet iedere foto leent zich voor het maken van muziek. Het is een intuïtief proces. Ik kan heel grafisch door een foto laten inspireren; de gelaagdheid, vormen, texturen en kleuren. Maar ik wil niet dat het een letterlijke vertolking van de foto wordt. Daarom laat ik me ook inspireren door mijn emotionele ervaring van de plek waar de foto is gemaakt. Die kan nog wel eens afwijken van wat er in de foto te zien is.”

– Het gerenommeerde Prisma Strijktrio speelde de muziek bij je foto’s uit IJsland. Past strijkmuziek ook het beste bij IJsland?

“Hoewel ik denk dat IJsland zich wel leent voor andere klanken, zijn strijkinstrumenten wel een goede keus geweest voor het project Textures. Veel positieve reacties uit het publiek komen van mensen die zelf in IJsland zijn geweest. Ik heb van meerdere mensen te horen gekregen dat ik hun gevoel bij IJsland in de muziek heb weten te vangen. Een beter compliment kon ik niet krijgen.”

– Als ik je fotografisch werk bekijk, dan zie ik daar ook een bepaald soort ritme in. Is dit bewust door jou gedaan of is het toch meer toeval?

“Ik krijg vaker te horen dat mijn foto’s in zichzelf iets muzikaals hebben. Ik kan me voorstellen dat mijn muzikaliteit invloed heeft op hoe ik omga met de compositie van een foto.”

– Draaien jouw muzikale composities ook veel om ritme of meer om sfeer?

“In mijn werk is sfeer meestal belangrijker dan ritme, omdat muziek bij mij begint bij de emotionele zeggingskracht. Ik zie ritme meer als een middel om een complexe gemoedstoestand over te brengen.”

– Je hebt composities geschreven voor instrumenten als basklarinet, saxofoon, trombone, piano, elektrische gitaar en pijporgel en ook voor combinaties van deze instrumenten. Zijn er ook instrumenten waar je het liefst stukken voor componeert – en zo ja waarom?

“Strijkinstrumenten passen wel bij mij. Ik houd van instrumenten waarbij iedere toon die klinkt nog een ontwikkeling kan doormaken door hele subtiele variaties in technieken toe te passen.”

– Een van je meest recente projecten, Crash Blossom, was een muzikale en visuele trip samen met de sopraan Rianne Wilbers. De voorstelling was een combinatie van beelden, teksten en muziek. Waar gingen de beelden en teksten over?

“Crash Blossom is het meest persoonlijke project dat ik tot nu toe heb gemaakt. De beelden en teksten zijn geïnspireerd op ervaringen in het leven van mijzelf en dat van de zangeres. Het gaat over maskers die we optrekken, zingeving en zelfdestructie. Met relativerende humor als tegenhanger, uiteraard.”

– In je nieuwste compositie genaamd Far-field heb je een stuk muziek gecomponeerd voor accordeonist Vincent van Amsterdam. In die compositie maak je op een ongewone manier gebruik van de registers van de accordeon, wat een zeer elektronisch klinkend stuk muziek oplevert. Wist je van tevoren al hoe de accordeon zou gaan klinken of ontdekte je dit bij toeval?

“Ik heb meer dan tien jaar geen accordeon meer gespeeld. Far-field is voor mij een herontdekking van een instrument dat ik heel goed ken. In mijn klankonderzoek voor deze compositie heb ik misschien niet echt nieuwe technieken ontdekt, maar heb ik door alle ervaring die ik in de tussentijd heb opgedaan toch een onvoorzien geluid gevonden.”

– Voor de Tilburgse beiaardautomaat heb je de korte uurstukken gecomponeerd voor de maand oktober. Was het leuk om muziek te maken voor de beiaardautomaat?

“Ik vond het leuk om na te denken over een stuk dat echt voor de automaat is geschreven en dat ik niet door een muzikant zou laten uitvoeren.”

– Wat was voor jou het meest uitdagende bij het componeren van de uurstukken?

“Ik moest eerst over een negatieve associatie heen stappen (die te maken heeft met het carillon van de Wasknijper bij het centraal station in Tilburg) om tot de schoonheid van het instrument te komen, die wat mij betreft – niet zo verbazingwekkend – in de lage klokken van de beiaard in de Heikese kerk is te vinden.”

– Ben je tevreden met hoe de composities uiteindelijk zijn geworden?

“Ik zie de uurstukken als korte, subtiele interventies in de openbare ruimte. Het zijn een soort klankwolken die dicht bij het bekende klokgebeier liggen. De oplettende voorbijganger zal opvallen dat er sprake is van ritmische nuances; versnellingen en vertragingen die licht ontwrichtend werken: je kunt er niet meer mee in de pas lopen.”

– Is de beiaard volgens jou nog ‘modern’ genoeg voor het maken van hedendaagse muziek?

“Muziekinstrumenten hebben geen houdbaarheidsdatum. Ieder instrument heeft zijn eigen muzikale functie en zeggingskracht, ook in nieuwe muziek. Zolang er mensen én beiaarden zijn maakt dit instrument onderdeel uit van het klankenpallet dat gebruikt kan worden.”

– Wat is volgens jou het meest speciale aan de beiaard als instrument?

“Ik ben voor deze compositie meteen gaan nadenken over de luisteraars in de stad. Meestal heb ik te maken met een publiek dat min of meer weet wat er gaat gebeuren bij een uitvoering. Bij de beiaard gaat het vooral om mensen die per ongeluk onder mijn muziek doorlopen of het misschien niet eens bewust horen. Ik vond het interessant om erover na te denken wat ik als componist met dat gegeven kon doen.”

Continue reading...

Doet ie het of doet ie het niet? De klanken in het centrum van Tilburg klinken toch een stuk minder aangenaam zonder beiaard. Of beter gezegd: zonder beiaardautomaat. Afgelopen week werd er in Tilburg ook een aantal bezorgde telefoontjes uitgewisseld. Was de beiaardautomaat nog in orde of was hij knock-out gegaan door het extreem warme weer? Na een telefoontje met de klokkenfirma Eijsbouts uit Asten, werd de automaat grondig nagekeken, maar helaas zonder positief resultaat.

De Stichting Vrienden van de Tilburgse beiaard hoefde zich desondanks geen zorgen te maken en kreeg de belofte dat het probleem nog in de vakantieperiode zou worden opgelost.

Begin augustus stonden de uurslagen van componiste Nicoline Soeter geprogrammeerd. Maar de playlist van Soeter bleek niet op de voorgeprogrammeerde tijden te kunnen worden afgespeeld door het mysterieuze zwijgen van de beiaardautomaat.

Het verlossende woord kwam afgelopen maandag van  Ernst Bonis, algemeen bestuurslid en de technische man van de Stichting Vrienden van de Tilburgse beiaard. Het speelwerk werkte eindelijk weer als vanouds. Sinds afgelopen maandagmiddag is de automaat ook weer op vaste tijden te horen. In een mail liet Bonis verder weten nog eens goed uit te zullen zoeken wat de oorzaak was van het hele probleem. “Het is zeer waarschijnlijk een softwarefout geweest. Na 12 augustus, als het verlof voorbij is, hoop ik echter erachter te komen wat nou precies het euvel was”, schreef hij in een mail.

Continue reading...

“Lieve vriendjes uit Tilburg, deze maand zal de beiaard van de Heikese Kerk, die tegenover de FHK, nieuwe melodietjes van mijn hand ten gehore brengen, en dat wel vier keer per uur, elke dag”, schrijft componiste en pianiste Eveline Vervliet (1997) trots op haar Facebookpagina. De jonge Belgische musicus in opleiding kreeg van de Stichting Vrienden van de Tilburgse Beiaard de leuke klus om korte uurstukken te schrijven voor de Tilburgse beiaardautomaat. Iets wat ze met veel enthousiasme deed.

Als introductie van deze talentvolle Belgische lezen we het beste haar bio op haar persoonlijke website. Als kind nam Eveline viool- en pianolessen op haar plaatselijke muziekschool, zo schrijft ze in haar bio. Aan het einde van de middelbare school besloot ze te doen waar ze al een tijdje van droomde: een professionele pianiste worden. Zo besloot ze na een jaar ‘Kunsthumaniora’ in Antwerpen te hebben gestudeerd over te stappen naar een bachelorstudie aan de Academie voor Muziek en Podiumkunsten in Tilburg, alwaar ze begeleid zou worden door pianodocent Nicolas Callot.

Voor haar opleiding zit ze inmiddels in haar derde bachelor voor piano en tweede bachelor voor compositie. “Door de jaren heb ik verschillende masterclasses gevolgd en deelgenomen aan enkele wedstrijden”, zegt Eveline. “Als musicus ligt mijn focus vooral op de uitvoering van moderne en nieuwe muziek, als pianiste en – in bredere zin – als performer.” Na deelname, in 2016, aan de Nadar Summer Academy, een zomercursus over nieuwe muziek georganiseerd en gecoached door het Belgische Nadar-ensemble, begon ze haar eigen concepten, geluiden en muziek te creëren. Sinds september 2017 studeert Eveline – naast klassieke piano – Compositie in Tilburg en krijgt ze onder meer les van Anthony Fiumara, de Tilburgse stadscomponist. Hoogste tijd dus voor een gesprek met Eveline!

– Kun je nog iets meer over je achtergrond vertellen?

“Ik ben geboren in 1997 en sinds mijn zevende woonachtig in Waasmunster. Dat was ook mijn leeftijd waarop ik begon met vioollessen te volgen. Aangezien ik het niet kon laten om mezelf de liedjes uit de pianoboeken van mijn grote broer te leren, kon ik een jaar later óók met pianolessen starten op de muziekschool. Beide instrumenten heb ik volgehouden tot mijn negentiende. Wegens te weinig tijd en lichamelijke klachten moest ik toen helaas wel stoppen met viool. Maar toen ik 17 jaar was ontstond voor het eerst het idee om piano te studeren.”

– Je bent ook componiste en vooral actief met het componeren van nieuwe muziek. Wat is nieuwe muziek eigenlijk, simpel uitgelegd? En wanneer benoem je een stuk muziek als nieuw?

“Dat is een te moeilijke vraag om een simpel antwoord op te geven. Maar de gemakkelijke oplossing is te zeggen dat nieuwe muziek alle muziek is die kortgeleden gecomponeerd is. Alleen is het begrip ‘kortgeleden’ relatief: zo zal een tien jaar oud liedje in de popwereld simpelweg als oud worden bestempeld, maar durven sommige mensen de muziek van Ferneyhough uit de jaren ’80-’90 nog wel eens ‘nieuw’ te noemen. Ik kies zelf liever voor de term ‘hedendaags’, omdat ik daar gemakkelijker een tijdspanne van 0-10 jaar aan kan geven, terwijl ik de term ‘nieuw’ behoud voor composities van de laatste twee jaar.”

– Als musicus ligt je focus behalve op het uitvoeren van nieuwe muziek ook op je rol als performer, las ik op je website. Communiceer jij ook veel met je publiek en op welke manier doe je dat dan?

“Het is inderdaad zo dat dat mijn doel is, maar tot nog toe ben ik er niet in geslaagd, of heb ik daar nog niet de mogelijkheid toe gehad. Wat me aanspreekt is om concerten zo te programmeren dat afzonderlijke muziekstukken met elkaar verbonden zijn door een samenhangend verhaal, en dit met andere elementen, zoals tekst, objecten, video, audio, vorm te geven, waarbij ik de rol van ‘muzikant’ wil uitbreiden tot die van een veelzijdige ‘performer’.”

– Je maakt niet alleen op het concertpodium muziek, maar ook op vrij ongewone plekken, zoals midden in het bos. En dan ook nog terwijl het daar al nacht is. Kun je daar meer over vertellen?

“Ik ben sinds augustus 2017 lid van het Collectief Publiek Geluid, een groep van circa twaalf (semi-)professionele artiesten die zich focust op het creëren van geluid in de openbare ruimte. We zijn opgericht na een call van de Belgische organisatie Musica. Hun hoofdkantoor ligt in Pelt, vlak naast ‘het Klankenbos’. Dit bos herbergt de grootste verzameling van klankinstallaties in de open lucht van heel Europa. In April 2018 organiseerden we de ‘Klankenbos Nocturne’, een wandeling door het bos met op verschillende plaatsen een performance. Als onderdeel hiervan schreef ik de ‘Etude in het Duister nr.1’, een stuk voor viool, percussie, gitaar.”

– In één van je nachtelijke performances was zelfs een rol weggelegd voor drie gloeilampen. Wat was de functie hiervan?

“Ik wilde een audio-visueel werk maken waarbij beide elementen gelijkwaardig aan elkaar waren, dit om de intensiteit van de ervaring voor het publiek te versterken. De rol van de gloeilampen was daarmee gelijkaardig en gelijkwaardig aan die van de instrumentalisten, alleen brachten ze geen klank maar licht voort. Iedere lamp hing boven één van de muzikanten, en ‘speelde mee’ met diens muziek. Voor het festival OORtreders in oktober 2018, schreef ik de ‘Etude in het Duister nr.2’,  waarbij ik de muzikale en visuele elementen uit het eerste stuk verder uitdiepte. Het eerste stuk was voor ons – de creatoren en uitvoerders – een nieuw experiment, waarbij de muziek, de structuur en de coherentie tussen audio en licht eerder basaal en elementair bleven. In het tweede stuk wilden we deze elementen verder compliceren, zonder het voor het publiek onbegrijpelijk te maken. Het volgende stadium zou kunnen zijn om het aantal lichten uit te breiden, waardoor de coherentie tussen geluid en licht voor het publiek misschien wegvalt. Dan kunnen we zien of de mensen het werk nog steeds waarderen. Zo kun je ook de locatie wijzigen of het instrumentarium veranderen of vergroten, etc. We hebben nog veel ideeën dus.”

– Wat vind je zo bijzonder of leuk aan dit soort nachtelijke projecten?

“Het ging zowel om het feit dat het donker was, als om het feit dat het optreden in de buitenlucht in een bos plaatsvond. Wanneer we overdag in het bos repeteerden, kwam het stuk niet volledig tot zijn recht. Dit heeft deels natuurlijk te maken met het feit dat er een belangrijke rol voor de lampen was weggelegd. Maar door het donkere bos ontstaat er een heel andere, speciale sfeer. Wij zijn als mensen meer op onze hoede in het donker, omdat ons nachtelijk zicht zeer beperkt is. Een ander groot verschil is dat de vogels ’s nachts ophouden met fluiten. Deze twee elementen zorgen er volgens mij voor dat onze visuele en auditieve zintuigen scherper worden, waardoor het stuk intenser wordt beleefd dan wanneer het in een concertzaal wordt uitgevoerd.”

– Hoe schrijf je muziek voor de nacht zonder de nacht te verstoren?

“Interessante vraag. Zo had ik er nog niet over nagedacht. Ik vond eerder dat de nachtelijke geluiden mijn stuk verstoorden, haha. Goh ja, voor nu heb ik daar eerlijk gezegd nog geen antwoord op. Maar ik houd de vraag in mijn achterhoofd voor de volgende keer als ik weer een nachtelijk optreden doe of een werk voor het duister maak.”

– Met je compositie Proprius Capio maakte je zelfs een uitstapje naar de wereld van neurologie. Jij wilde met je compositie te weten komen hoe het is om in plaats van het gevoel met je lichaam via je zogenaamde ‘proprioceptie’,  je gevoel met je instrument te verliezen. Vertel daar eens iets meer over…

“Dit werk schreef ik voor mijn deelname aan de Nadar Summer Academy 2017, een jaarlijkse zomeracademie in Sint-Niklaas, georganiseerd door het Belgische Nadar Ensemble die zich specialiseert in het uitvoeren van hedendaagse muziek. Het werk is geschreven voor klarinet, percussie, piano, viool en cello en bestaat uit vier delen. Het eerste deel, ‘Forschung’, is als het ware de ontdekking van het verlies van hun capaciteiten, waarbij de muzikanten opnieuw moeten leren hoe het instrument eigenlijk werkt. Zo kloppen de violist en cellist op hun klankkasten en probeert de klarinettist op zijn instrument te blazen. Het tweede en derde deel ‘Angst… und Begeisterung’ gaan op een meer abstracte manier om met de gevolgen van dit verlies. De muzikanten spelen hierbij wel op hun instrumenten zoals ze voorheen konden, maar verklanken de emoties die ze in het vorige deel zouden voelen: eerst en vooral angst en woede, maar ten slotte moed om door te gaan. Het vierde deel is een overgang van het normale spel tot het onderzoek van het eerste deel, waarbij je het omgekeerde effect van het eerste deel krijgt.”

– Eén van de Tilburgse ensembles waarin je actief was, was FC Jongbloed. Waar kwam die naam vandaan?

“Dit heb ik me zelf ook een tijdje afgevraagd. Nu weet ik dat F.C. staat voor Fontys Conservatorium.”

– Hoeveel composities heb je eigenlijk al op je naam staan? En welke compositie is je het dierbaarst en waarom?

“Momenteel heb ik twaalf composities op mijn naam staan, waaronder twee audiovisuele werken en drie elektro-akoestische werken. De rest zijn puur akoestische composities. Het stuk dat ik als laatste heb geschreven, ‘Jamie’s Super Quick [Vegan] Hummus’, is me echt heel dierbaar. Een connectie als met deze compositie heb ik nog niet eerder zo sterk gevoeld. Dat heeft onder meer te maken met het feit dat ik momenteel bezig ben met repetities in de aanloop naar de première op 28 november, die trouwens in het Academietheater op de Fontys Hogeschool plaatsvindt. Ik speel zelf namelijk mee als bespeler van de elektronica. Met dit werk ben ik wel een stuk dichter bij het uiteindelijke doel gekomen sinds mijn eerste composities in de zomer van 2016. Ik zou meer kunnen vertellen, maar ik wil nog niets verklappen vóór de première.”

– Voor de Tilburgse Beiaard heb je de korte uurstukken gecomponeerd voor de maand mei. Ben je tevreden met hoe de composities zijn geworden?

“Deze composities zijn, vergeleken met mijn ander werk, een stuk ‘braver’ en ‘tonaler’. Dat was voor mij echt een uitdaging, en ik ben zeker blij met de uitkomst van het werk. Ik vond het sowieso een erg leuke opdracht. Normaal gezien wordt je stuk slechts enkele keren – of soms zelfs maar één keer –  gespeeld, terwijl deze stukken wel tientallen keren op één dag weerklinken. Een groot contrast!”

– Iemand die werk van je heeft gespeeld was onze stadsbeiaardier Carl Van Eyndhoven. Dat was het nummer getiteld ‘Hunted’. Hoe verliep die samenwerking?

“Eerlijk gezegd had ik 1,5 jaar geleden nog geen idee wat een beiaard was. In maart 2018 kregen we als compositiestudenten een masterclass van Carl, en toen werd mijn interesse in het instrument gewekt. Via Carl kreeg ik ook te horen dat de Nederlandse Klokken Vereniging een compositiewedstrijd voor beiaard uitzond. Daar heb ik aan deelgenomen met het werk Hunted, wat ik aan Carl heb opgedragen. Daar heb ik uiteindelijk een hoofdprijs mee heb gewonnen, en Carl heeft het stuk op de prijsuitreiking gespeeld. Ik heb met hem een erg fijn contact gehad. Hij heeft me inderdaad verteld dat hij Hunted, zoals de compositie heet, een goed werk vindt en het graag speelt.  Aan de andere kant prijs ik hem voor zijn interpretatie.”

– Hoe speciaal is de beiaard voor jou als instrument?

“De beiaard is een zeer speciaal instrument, aangezien elke beiaard op zich uniek is. Dat is een uitdaging die je bij het schrijven voor reguliere instrumenten niet hebt. Net zoals ik graag weet voor welke muzikanten als personen ik schrijf, vind ik het leuk om me tijdens een compositieproces voor te kunnen stellen hoe een bepaalde stem of beiaard klinkt, aangezien elke stem of beiaard uniek is. Dat heb je veel minder met reguliere instrumenten – al is dat soort uniekheid steeds minimaal aanwezig. Zowel Hunted als de pas gecomponeerde uurstukken schreef ik speciaal voor de carillon van de Heikese Kerk. Daardoor creëer je een soort band met dat instrument, wat je met andere beiaarden niet hebt. Anders, maar gelijkaardig, aan de band die je als muzikant met een instrument hebt.”

– Eén van je specifieke interesses is technologie. In welke zin of hoedanigheid vormt technologie ook onderdeel van je werk?

“Ik heb twee cursussen gevolgd in de analoge Willem II-studio’s in Den Bosch. In mijn eigen werk houd ik me vooralsnog vooral bezig met live electronics waarbij ikzelf live – tijdens het concert – samples trigger door middel van de software PD-Extended. Dit heb ik gedaan in mijn stuk ‘ex<IN>tended’ met klarinet en altviool, en in mijn nieuwste werk ‘Jamie’s Super Quick [Vegan] Hummus’ met zang en piano. Enkele weken geleden heb ik de Ableton Live Suite 10 aangekocht, waarmee ik momenteel leer werken. Dan wil ik meer aan de slag gaan met het live manipuleren van akoestische instrumenten, en performances met puur elektronica – zonder instrumenten dus.”

– Verdiep jij je ook in beiaardautomaten? Zo ja, heeft je dat geholpen bij het maken van de korte uurstukken?

“Daar heb ik me nog niet in verdiept, al lijkt het me wel eens interessant om te doen.”

– Dank voor dit interessante interview!

“Graag gedaan!”

Continue reading...