“Het komt heel heavy binnen als jouw noten zo over de stad denderen”

Over Henk Stoop, de in Tilburg bekende muziekdocent en componist, is online helaas maar weinig info voorradig. Probeer op het internet maar eens een biografie van de man te vinden. Een paar alinea’s, veel meer duikt er via de door ons gebruikte zoekopdrachten niet op in de zoekresultaten van Google. Collega-muzikanten die les kregen van Stoop en hem ook goed kennen, zijn echter vol bewondering. Eén van hen zegt: “Zijn liefde voor de muziek is zeer groot, naturel en compleet onbaatzuchtig. Daarbij heeft ie veel muziek gespeeld, gedirigeerd en, niet te vergeten, geschreven voor zogenaamde amateurs. Zijn verdiensten als muziekpedagoog zijn ook even groot als zijn verdiensten als componist.”

Uit de paar karige loopbaanbeschrijvingen die we online vinden, valt ook wel enigszins op te maken dat Stoop een bijzondere muzikale carrière op zijn naam heeft staan en nog steeds actief is als begeleider van muziekgezelschappen en solisten. Tijdens kamerconcerten in Tilburg en elders in Brabant duikt hij nog regelmatig achter de piano op. Kamermuziek, vooral de laatste jaren is Stoop er veel mee bezig. Het element van samenspel geldt voor Stoop ook als een belangrijk onderdeel van de muzikale ontwikkeling van zangers en instrumentalisten. Vandaar ook zijn voorliefde voor kleine, enkelvoudige bezettingen. Bij kamermuziek draait het om balans, timing en goede onderlinge klankverhoudingen.

Als student gaf hij al les in piano en contrabas, begeleidde hij zangers en dansers en deed hij ervaring op in grote orkesten. Als contrabassist speelde hij onder meer in het Nederlands Kamerorkest, het Radio Kamerorkest en Het Brabants Orkest. Een orkestbaan zou hij echter nooit ambiëren. De reden? Zijn baan aan de Tilburgse Muziekschool, later Factorium geheten, was zodanig veelzijdig dat zijn specialiteiten hier beter tot hun recht kwamen dan in een orkest. Als docent kon hij muziekles geven, zelf muziek schrijven, arrangeren, ensembles begeleiden en meer, ofwel de dingen doen die hij leuk en interessant vond of waar hij liever mee bezig was.

Behalve als docent was de in 1943 in Breda geboren Stoop ook als componist zeer actief. En veelgevraagd. Componeren deed hij onder meer in opdracht van het Brabants Orkest, de Provincie Noord-Brabant en het fonds voor de scheppende toonkunst. Het leverde hem ook prijzen op. Zo ontving hij in 1983 de Compositieprijs van het Brabants Conservatorium.

In 1985 vertolkte Het Brabants Orkest onder leiding van dirigent André van der Noot zijn Symfonie nr. 1. Compositieopdrachten kreeg hij ook voor grotere koorwerken met orkestbegeleiding. Stoop componeerde daarnaast de muziek voor de Nederlandse films Waterlanders (1994) en Erwt (1997) van filmmaakster Simone van Dusseldorp. Het waren volgens Stoop twee arbeidsintensieve klussen, waarvoor hij wel eens tot laat moest doorwerken om de filmmaakster tevreden te kunnen stellen. Terugkijkend noemt hij het echter een zéér dankbaar werk.

– Je studeerde piano, contrabas , orkestdirectie en compositie aan het Brabants Conservatorium. Je kreeg les van onder andere de gelauwerde Tilburgse componist Jan van Dijk. Bewaar je ook goede of leuke herinneringen aan deze tijd en jouw leermeesters?

“Jan van Dijk was een zéér goede en prettige leermeester. Hij verbeterde de bestaande lacunes, die bij elke student anders liggen, met het respect voor de eigenheid en de talenten. Hij gaf veel voorbeelden en werkte vanuit zijn eigen ervaring en muzieknotatie-ontwikkeling. Hij was ook zeer verbonden met zijn studenten. Er ontstond ook een vriendschap die gedurende heel zijn leven zou voortduren. Mijn ervaring met André Rieu sr. waren iets minder. Piano studeerde ik bij Jan Wijn. Bij hem heb ik héél veel geleerd, waar ik later veel aan had. Ook hij was een heel belangrijke meester.”

– Na je studie ben je gaan werken in het muziekonderwijs. Waarom ben je niet in een groot orkest terechtgekomen, maar koos je ervoor om muziekleraar te worden?

“Geruime tijd gaf ik al les en begeleidde ik zang en dans, terwijl ik nog studeerde. Ook had ik al ervaring opgedaan in diverse orkesten. Hierbij had ik niet het idee dat een orkestbaan het ideale bestaan was. Mijn baan aan de Tilburgse Muziekschool, later TDMS en nog later Factorium geheten, was zodanig veelzijdig, dat mijn kwaliteiten en specialiteiten daar meer uitkwamen dan in een orkest. Ik was actief als docent piano en contrabas, schreef zelf muziek, kon arrangeren en ensembles begeleiden.”

– Aan de Tilburgse Muziekschool gaf je compositiecursussen. Uit mijn interviews met Tilburgse componisten die les bij jou hebben gehad, begrijp ik dat dit een zeer vruchtbare tijd was voor jezelf en voor de Tilburgse muziek in het algemeen. Heb je speciale herinneringen aan deze tijd?

“Het is begonnen in de tachtiger jaren op instigatie van weer Jan van Dijk. Er werd door mij een leerplan gemaakt. Contrapunt, harmonie- en vormleer, compositietechnieken, notaties en stijlen werden behandeld. Het voordeel hiervan is dat je meteen met de inhoud bezig bent: met de klank en de noten. Een stapje verder is het zelf componeren. Er werd samen gespeeld en er werden muziekuitvoeringen georganiseerd. Tot mijn genoegen zijn hier enige ‘vakbroeders’ uit voortgekomen die nog steeds succesvol bezig zijn.”

– Voelde je jezelf ook in de wieg gelegd voor het vak van muziekonderwijzer?

“Mijn lesgeven was al officieel begonnen in 1963 aan de Bredase muziek- en balletschool. Het lesgeven is voortdurend in mijn systeem aanwezig gebleven. Maar ook het zelf muziek beoefenen, alleen of in samenspelverband, heeft mij altijd aangetrokken en ben ik blijven doen. Het individueel muziekonderwijs is nog steeds een stiefkind van de samenleving. Die spanning was er vroeger ook al en zal blijven bestaan zolang er niets wordt gedaan om deze fundamentele zaak op een of andere manier te verankeren. Er zijn in mijn tijd leerplannen en leergangen opgesteld. En er werden examens en uitvoeringen georganiseerd, waardoor er een duidelijker structuur ontstond. Dat heb ik altijd als prettig ervaren.”

– Speelde je als kind al op de piano of op een ander instrument en wanneer ontstond het plan om iets in de muziek te gaan doen?

“Ik speelde ik al heel vroeg piano. Zo vanaf vanaf mijn zesde, denk ik. Via de dirigent van het kerkkoor in Breda, waar ik toen op zat, evenals al mijn broers, werd ik gestimuleerd om naar de muziekschool te gaan, omdat tijdens de repetities bleek dat er al een vaardigheid was in deze richting. Daar kreeg ik les van Kees Heerkens en later van Hein Zomerdijk.”

– Kom je ook uit een muzikale familie?

“Jawel, mijn vader speelde mandoline, mijn broers zaten op het zangkoor en mijn twee zussen speelden ook piano. Als niet iedereen actief muziek beoefende, dan was er toch altijd aandacht en respect voor. En bij feestjes zong iedereen zijn partijtje mee.”

– Via via hoorde ik dat je uitstekend contrabas speelt. Je hebt ook in diverse orkesten gespeeld als contrabassist. Die functie kwam ooit voor jou aan de orde bij het Concertgebouw-orkest. Het idee om daar te gaan spelen, heb je echter laten varen. Wat was daarvoor de reden? Kwam dat door je voorliefde voor de piano?

“Dat kwam door mijn leraar van destijds in Amsterdam. Een leraar is vaak pas tevreden als zijn leerling zijns inziens op de juiste plek zit. En dat is bijvoorbeeld een goede positie in een orkest. Die positie heb ik echter zelf niet geambieerd, al heb ik wel erg goed les gehad van mijn contrabasleraar destijds. Behalve dat, heeft hij ook gepoogd mij aan te laten sterken door eieren met spek te bakken voor de les en daarna nog een uurtje of drie door te laten zwoegen op het instrument. Het is een instrument wat fysiek wel eens veel vraagt.”

– Collega’s van jou zeggen dat je alle bladmuziek zonder problemen speelt zonder deze van te voren gezien of geoefend te hebben. Heb je het ‘á-vue’-spel , zoals het zo mooi heet, in de loop van je muzikale loopbaan zelf geleerd, of is het eerder een gave?

“Dat heb ik ontwikkeld door het moeten en door de praktische ervaring van een doorlopende leerschool. Maar het is ook een gave, ja, dus een combinatie van factoren, zoals een goed ontwikkelde basistechniek. Maar er zijn grenzen aan het vlot prima vista spelen als het atonaal wordt of bij fuga’s van bijvoorbeeld Bach. Het is wel een uitdaging om zomaar een muziekboek open te slaan op een willekeurige bladzijde en het dan goed te kunnen spelen met meteen het juiste begrip voor de muziek.”

– Je staat bekend om je ijzersterke geheugen voor klassieke muziek. En dan niet alleen qua pianomuziek. Leer je nog wel eens nieuwe dingen bij op dat vlak of ontdek je nog wel eens een nieuwe componist van klassiek werk?

“Natuurlijk, ik blijf leren en zoeken. Het muzikale idioom is eigenlijk het interessantste onderdeel van het ontdekken van onbekend werk. Er is nog genoeg te ontdekken bij bijvoorbeeld hedendaagse  Franse, Catalaanse en Georgische componisten. Ze hoeven echter niet altijd hedendaags te klinken. Een heel mooie eigen stijl heeft bijvoorbeeld iemand als Carlos Guastavino.”

– De laatste jaren componeerde je veel kamermuziek. Kun je in een paar zinnen vertellen wat je zo bijzonder vindt aan kamermuziek?

“Gedurende mijn gehele tijd op Factorium heb ik veel ensembles geleid. Vooral strijkers, waarvoor ik zowel heb gecomponeerd als bestaande muziek heb gespeeld. Het samenspel-element is een belangrijk onderdeel van de muzikale ontwikkeling. Alles draait om balans en evenwichtige onderlinge klankverhoudingen, om timing en het leren en ontdekken van verschillende muzieksoorten. Je leert daardoor ook te begrijpen dat techniek in dienst staat van muzikaliteit. Dat alles is bijzonder belangrijk. De laatste tijd heb ik veel geschreven voor het Tilburgse blaastrio F3. Het prettige is dan dat je zelf ook mee kunt spelen. Een erg goede ervaring.”

– Je schijnt ook zelf nog wel eens tijdens een kamerconcert op te duiken achter de piano. Bijvoorbeeld om een sopraan te begeleiden. Heb je in 2019 nog als begeleider opgetreden tijdens een kamerconcert? En blijf je ook solo-artiesten, koren of muziekgezelschappen begeleiden?

“Jazeker. In 2019 heb ik gespeeld met het koor Scampolo en bij enkele andere gelegenheden, zoals in de Sacramentskerk in Breda, waar liederen van Schubert en Duparc werden gezongen. Ook met het mannenkoor La Renaissance heb ik nog opgetreden. In 2020 zijn er verder concerten met zangers gepland in Oisterwijk, Tilburg en Chaam. Het is wel iets minder structureel dan vroeger, maar wel fijn om te doen.”

– Gedurende je loopbaan heb je veel in opdracht gecomponeerd. Opdrachtgevers waren onder meer het Brabants Orkest, de Provincie Noord-Brabant en het fonds voor de scheppende toonkunst. Wie waren eigenlijk je favoriete opdrachtgevers en waarom?

“Mijn meest favoriete opdrachtgever is toch meestal een koor of een individuele instrumentalist. Natuurlijk krijg je de meeste eer als het een groot orkest betreft. Maar ik componeer niet voor de eer. Het klinkende resultaat is het mooist als het mij bekende mensen zijn die het uitvoeren. Daar heb ik dan zelf het meeste invloed op.”

– Je hebt een grote hoeveelheid muziek geschreven die niet, nog niet of te weinig is gespeeld. Vind je dat niet jammer?

“Voor mij is het niet zo jammer, wel voor degenen die het niet spelen of uitvoeren. Het is altijd bevredigend als er weer een stuk af is. Het uitvoeren is niet altijd meteen noodzakelijk.”

– Je schreef ook filmmuziek. Muziek van jou was in twee Nederlandse speelfilms te horen. Waarom is dat maar tot twee films beperkt gebleven? Had je geen ambities in die richting?

“Het componeren van muziek en muziekpartituren maken voor film is een kostbare aangelegenheid. Bij die twee films kon het alleen door de vrijwillige inzet van een aantal professionele instrumentalisten. Het is voor een componist ook heel arbeidsintensief. Men moet nog wel eens tot laat doorwerken om de filmmaker tevreden te stellen. Maar het is zéér dankbaar werk. Ik heb er goede herinneringen aan.”

– Hoe lang ben je eigenlijk al met pensioen en mis je het vak van muziekdocent niet een beetje?

“Mijn officiële pensioen is in 2008 ingegaan, dus ik ben al bijna twaalf jaar weg bij het Factorium Podiumkunsten. Maar ik ben nog wel ingesprongen bij uitvoeringen en heb tot 2018 meegedaan aan de strijkerdag. Nog iedere dag ben ik met muziek bezig door te componeren en te studeren. Het vak van muziekdocent mis ik niet zo, want een aantal dingen gaan gewoon door.”

– Je was de eerste componist die in 2019 vrij werk voor de Tilburgse beiaardautomaat schreef in het kader van het componistenproject, een idee van stadscomponist Anthony Fiumara. Dit zei toch wel iets over jouw betekenis als Tilburgse componist. Was je daar zeer vereerd mee?

“Het is altijd een eer om te componeren in opdracht en ik heb mij daar graag mee beziggehouden. Het is ook een héél leuk project geworden, omdat hierdoor iets meer samenhang en bekendheid kon ontstaan voor Tilburgse componisten. Het was dan ook een verrassing dat daar bijvoorbeeld Andreas van Zoelen bij was, die ik vroeger op Factorium vaak heb begeleid toen Andreas nog heel jong was.”

– Heb je je eigen compositie, getiteld ‘De Heike Preludes’, ook op de automaat horen spelen, zo ja, hoe was dat? En was je ook tevreden over de compositie?

“Het is speciaal en ook indrukwekkend. Het komt heel heavy binnen als jouw noten zo over de stad denderen. Je leert er veel van. Voor wat betreft de tevredenheid: van ontevredenheid heb ik geen last. Als een werk klaar is, moet dat meestal zo blijven. Ideeën voor veranderingen hebben pas consequenties voor een volgend werk. Ik had echter al eerder voor de beiaard geschreven, waaronder Een Partita voor beiaard en Bachiana voor beiaard, beide in 2006, en Poëtische Momenten 50 stukken voor beiaard in 2010. De uitvoering van het werk Septimus voor beiaard, in de zaal van  Factorium in 2017, was zelfs spectaculair te noemen.”

– Moest je je voor de compositie nog extra in de beiaard als instrument verdiepen?

“Je blijft je steeds verdiepen, waardoor je denkt dat het nog beter wordt en dat het plan wat je had, de verbeelding en de klank precies wordt wat je bedoelde. Dat blijft altijd.”

– In de toekomst zijn er misschien door bezuinigingen geen beiaardiers meer en wordt beiaardmuziek alleen nog op de automaat geprogrammeerd. Waarom moet de handbespeelde beiaard behouden blijven?

“Ook de automaat heeft zijn beperkingen. Dynamiek en veranderingen in tempo zijn nog problematisch. De automatische mechanische bespeling is van alle tijden maar met de huidige mogelijkheden is het toegankelijker geworden om muziek in te voeren. Maar de handbespeelde beiaard is natuurlijk ideaal, maar ook noodzakelijk op een plek waar zich al een beiaard bevindt. De beiaard is een bewijs van een klank-creatieve georganiseerde beschaving van een samenleving. Die is uniek!”

– Wat maakt de klank van de beiaard volgens jou zo bijzonder?

“De beiaard van de Heikese kerk is van een uniek karakter. Door een lichte speelsheid en sprankeling van de prachtig klinkende klokken, door het eigen specifieke geluid, de aparte bouw en de hoogte van de beiaard. De beiaard is een omlijsting van het bestaan. Het uiten van die stedelijke eigenheid is van uitzonderlijk belang voor de stad en voor iedereen die hier leeft.”

Continue reading...

“De beiaard is een belangrijk element van onze identiteit als Tilburger”

Foto: Anne Peters

Zijn eerste compositie voor saxofoon schreef hij tijdens zijn studie in Tilburg voor een studiegenoot, nu 22 jaar geleden. Compositieles kreeg de Tilburgse saxofonist en componist Andreas van Zoelen (1978) van Alexandre Hrisanide, volgens Van Zoelen een groot mens, waar hij veel van leerde, vooral wat de structuur van een compositie betreft. Tot zijn leermeesters behoort ook de in 2016 overleden Jan van Dijk, de man die naam maakte als musicus, componist en dirigent en als docent actief was aan het Brabants conservatorium. Van hem leerde hij vooral de importantie van het componeren van een melodie die rechtstreeks uit het hart komt. “Ik ben deze mentoren ongelooflijk dankbaar voor wat ze mij op mijn pad meegaven”, zegt hij terugblikkend op zijn studietijd.

In Duitsland zette Van Zoelen zijn studie als saxofonist voort bij Carina Raschèr, dochter van de saxofoonpionier Sigurd Raschèr. Van Zoelen speelde vervolgens alle grote solo’s uit het repertoire voor symfonieorkesten met orkesten als de Berliner Philharmoniker, onder de beroemde dirigent Sir Simon Rattle. Daarnaast werkte hij samen met beroemde musici als Stewart Copeland, bekend van de Britse band The Police, Daniel Kientzy en Markus Stockhausen.

Van Zoelens muzikale loopbaan bestaat inmiddels uit een vrij lange lijst hoogtepunten. Zo musiceerde hij ook bij het Beethoven Orchester in Bonn, het Brandenburgs Staats Symfonieorkest, het Noord Nederlands Orkest Groningen en het Limburgs Symfonie orkest onder chef Ed Spanjaard. In 2002 won hij zijn eerste grote prijs, de zogenaamde ‘Jacques de Leeuw’ Jong Top Talent prijs.

In 2013 trad hij toe tot Edition Sax, een project dat zich richt op het uitvoeren van werken uit de begintijd van de saxofoon. Concerten van dit ensemble vonden onder meer plaats in het MIM in Brussel en tijdens het Nederlands Saxofoon Festival in 2014. In datzelfde jaar zou hij ook als tenorsaxofonist toetreden tot het befaamde Raschèr Saxophone Quartet, dat wereldwijd optreedt in beroemde zalen als de Carnegie Hall New York, de Royal Festival Hall London, de National Concert Hall Taipei en het Concertgebouw in Amsterdam.

Een bijzonder project op Van Zoelens CV is verder het inmiddels al vijftien jaar lopende muziekprogramma ‘l’Histoire du Sax’, waarvoor hij composities bij elkaar zocht uit alle fases van de saxofoonmuziek. Doel van het project is om het publiek deelgenoot te maken van een bijzondere muzikale reis door het verleden van het blaasinstrument. Zo speelde Van Zoelen oude themavariaties uit 1845, impressionistische klanken uit het begin van de 20e eeuw, salonmuziek uit de tijd van de Roaring Twenties, de kleurrijke muziek uit de jaren ’50 en de meest actuele muziek voor saxofoon die maar voor handen is. In een interview met deze site zegt hij over het betreffende project: “Het publiek is tijdens zo’n avondvullend programma altijd enorm enthousiast. Het mooie aan het project is ook dat, naarmate mijn saxofooncollectie groter wordt, je steeds weer andere accenten kunt leggen en recente aanwinsten kunt delen met het publiek.”

Tegenwoordig is Van Zoelen hoofdvakdocent klassiek saxofoon aan de Academy of Music and Performing Arts in Tilburg en geldt hij als autoriteit op het gebied van de geschiedenis van zijn instrument. Zijn omvangrijke verzameling saxofoons bestaat al uit krap honderd oude saxofoons. Een boek dat hij schreef over de geschiedenis van de saxofoon in Nederland zou uitgroeien tot een standaardwerk onder beroepsgenoten. Voor de Stichting Vrienden van de Tilburgse Beiaard was Van Zoelens CV reden genoeg om de componist te vragen vrij werk te schrijven voor de beiaardautomaat.

– Hoe oud was je toen je muziek ging studeren en waarom saxofoon?

“Ik was zes jaar oud toen ik begon met saxofoon spelen, toen aan de Tilburgse Dans- en Muziekschool in de Tivolistraat. Ik heb indertijd erg getwijfeld tussen klarinet en saxofoon, maar weet nog precies hoe onder de indruk ik was, toen ik voor de eerste keer een saxofoonkoffer open zag gaan. Alleen al optisch was het een geweldig instrument. En toen bleek het ook nog fantastisch te klinken! Als ik tegenwoordig een saxofoon voor mijn collectie vind, voel ik me iedere keer weer dat jongetje van zes jaar. Toen ik veertien was begon ik lessen te volgen aan het conservatorium via de gedecentraliseerde vooropleiding, zoals dat toen heette. Een geweldige constructie. Ik heb in de tien jaar die ik uiteindelijk op het conservatorium studeerde daardoor ontzettend veel kunnen en mogen leren.

– Kom je ook uit een muzikale familie?

“Ik stam inderdaad uit een muzikale familie. Mijn vader speelde mondharmonica en slagwerk, mijn moeder zong. Mijn ouders hebben hard gewerkt zodat wij, de kinderen, allemaal muziekles konden volgen. Mijn broer speelt basgitaar, mijn zus klarinet.”

– Je geldt als een autoriteit op het gebied van de geschiedenis van de saxofoon. Daar heb je zelfs een boek over geschreven. Is de saxofoon als instrument veel veranderd sinds Adolph Sax in 1841 een eerste officiële auditie van zijn creatie gaf?

“De saxofoon is zeker sterk veranderd in al die jaren. Oorspronkelijk is het instrument bedacht voor het symfonieorkest, waar het een brug moest slaan in de instrumentatie tussen strijkers en blazers. Daarnaast was dezelfde rol voor het instrument weggelegd in de militaire muziek waar het hout- en koperblazers met elkaar moest verbinden. Als je op de oorspronkelijke Adolphe Sax-instrumenten uit mijn collectie speelt, voel en hoor je heel goed wat het oorspronkelijke concept was. Door allerlei omstandigheden en ontwikkelingen zijn we daar een heel eind van weggeraakt, wat deels toch wel jammer is.”

– Ik las verder op je site dat je saxofoons verzamelt. Hoeveel heb je er al en zitten er bijzondere exemplaren tussen?

“Mijn collectie bestaat ondertussen uit 98 instrumenten, waaronder tien van Adolphe Sax, de uitvinder van de saxofoon.”

– Je bent tenorsaxofonist van het Raschèr Saxophone Quartet, waarmee je in heel de wereld optreedt in grote concerthallen. Dat kwartet bestaat al sinds 1969. Hoe is het om onderdeel te zijn van dit gerenommeerde gezelschap?

“Het is een grote eer deel uit te mogen maken hiervan. Dit jaar viert het ensemble zijn 50-jarig bestaan, een speciaal moment dus voor het kwartet. Een dirigent zei recent tegen ons dat de traditie en de gravitas van vijftig jaar samen musiceren bijna tastbaar is in de klank. Dat is een mooi compliment. Dit verleden is kostbaar en geeft ons enorm veel. Tegelijkertijd voel ik ook een grote verantwoordelijkheid de traditie te behoeden en klaar te maken voor weer de volgende generatie. Verder is het een hele mooie opgave steeds weer nieuwe werken die voor ons geschreven worden met orkesten en koren over de hele wereld te spelen. Onze volgende reis gaat naar Florida en New York, met daartussen een stop in Havanna, Cuba.”

– Voor het kwartet werden door meer dan tweehonderd componisten muziekstukken geschreven. Zitten daar ook beroemde componisten tussen?

“Componisten die voor ons geschreven hebben zijn mensen als Philip Glass, Mauricio Kagel, Sofia Gubaidulina, Luciano Berio, Tristan Keuris, Charles Wuorinen en Iannis Xenakis. Daar staan beroemde namen tussen!”

– Als solist speelde je uiteenlopende stukken met meer dan twintig orkesten. Wat was je meest memorabele optreden vind je zelf?

“Ieder project heeft zijn eigen mooie herinneringen. Het is daarom moeilijk om er eentje uit te halen. In ieder geval vond ik de première van het werk dat Bernard van Beurden voor mij schreef voor baritonsaxofoon en harmonieorkest een memorabele afsluiting van een mooi traject. Daarnaast heb ik geweldige herinneringen aan de samenwerking met ons eigen Tilburgse Magogo Kamerorkest in de Concertzaal in 2007. Ook een hoogtepunt was de première van het concert voor bas-saxofoon van de Duitse componist Stefan Thomas, dat ik met het orkest in het Duitse Karlsruhe speelde.”

– Veel mensen associëren de saxofoon automatisch met jazz. Zijn saxofoons eigenlijk ook geschikt om er klassieke muziek op te spelen?

“Saxofoons zijn niet alleen maar geschikt om in de klassieke muziek te functioneren, ze zijn er zelfs voor bedoeld. Doordat het instrument werd opgenomen in de jazzmuziek nam het een enorme vlucht, wat natuurlijk geweldig is. Het komt ook door de uitgesproken kameleontische eigenschappen dat het instrument zo breed inzetbaar is. Iets dat ik enorm aan de saxofoon waardeer.”

– Als componist timmer je ook aardig aan de weg. Hoeveel composities staan er eigenlijk al op je naam en wanneer schreef je je eerste compositie voor de saxofoon?

“Mijn recente werk voor de beiaard is opus 101. Mijn eerste compositie, ook mijn eerste compositie voor saxofoon, schreef ik tijdens mijn studie in Tilburg, voor een studiegenoot, nu 22 jaar geleden. Ik kreeg compositieles van Alexandre Hrisanide, een groot mens, waar ik veel van leerde, zeker qua structuur. Later kwam ik bij Jan van Dijk, die mij de importantie van melodie aan het hart legde. Ik ben deze mentoren ongelooflijk dankbaar voor wat ze mij op mijn pad meegaven.”

– Je schreef veel werken voor saxofoon-kwartetten en saxofoon-ensembles. Is dat veel anders dan componeren voor een groot orkest?

“Hoe kleiner je ensemble is, hoe meer je moet nadenken over de essentie van wat je aan het schrijven bent. Vaak is dat heel gezond, maar inderdaad ook wel eens moeilijker als het schrijven voor een heel orkest!”

– Een Duitse recensent schreef over een compositie die je maakte voor sopraan-saxofoon dat het een heerlijke klankstudie was met nauw wrijvende dissonanties, stralende geluidswolken en ‘pulserende tutti’. Zelfs tangomelodieën waren erin te horen. Ben je een groot liefhebber van de tango?

“Ik ben niet specifiek een liefhebber van tangomuziek, maar in dat werk zijn daar wel flarden van te horen.”

– Je hebt ook variaties op het Wilhelmus geschreven voor concertbands en harmonie. Waarom dat?

“Klopt. Eigenlijk was dit een ode aan verschillende componisten die mij inspireerden.”

– Je bent verder de spil in een avondvullend programma rond de geschiedenis van de saxofoon. In het programma wordt een beeld gegeven van alle fases die het instrument in haar groei heeft doorlopen: van themavariaties uit 1845 tot de nieuwste muziek voor de saxofoon van nu. Je speelt daarbij ook steeds op een andere saxofoon. Hoe is het om zo’n programma samen te stellen en op al die verschillende saxofoons te spelen?

“Het programma ‘L’Histoire du Sax’, dat ik al 15 jaar doe met pianist Martien Maas, is een van mijn favoriete projecten! Het is geweldig om op al die verschillende instrumenten uit mijn collectie te spelen, en te voelen hoe het instrument tot zijn recht komt in zijn oorspronkelijke muzikale omgeving. Daarnaast is het fantastisch om die boog te laten horen van de eerste instrumenten, de doorontwikkeling en de huidige saxofoons in hun repertoire. Ik speel aan het eind van dat programma altijd nieuwe muziek die voor mij geschreven is, en altijd is het publiek er enorm enthousiast over. Ik weet zeker dat het komt omdat je als luisteraar op deze manier alles in een kader kunt plaatsen, iets dat essentieel is. Het mooie aan het project is ook dat, naarmate de collectie uitbreidt, je steeds weer andere accenten kunt leggen en recente aanwinsten kunt delen met het publiek.”

– Deze week is in Tilburg het Nederlands Saxofoon Festival weer begonnen. Daar ben jij een van de organisators van. Het festival duurt maar liefst tien dagen. Komen daar ook veel mensen kijken en luisteren en masterclasses bezoeken? En treedt jijzelf ook op?

“Het Nederlands Saxofoon Festival is mijn geesteskind. In 2014 organiseerde ik de eerste editie. Daar was veel internationale aandacht voor. Ook dit keer hoop ik daar natuurlijk op. Uiteraard treed ik zelf op, bijvoorbeeld tijdens het concert op 8 januari in de concertzaal, waar wij als Raschèr Saxophone Quartet als solist te gast zijn bij Philharmonie zuidnederland.”

– Toen ik je uitnodigde voor een interview meldde je me dat je zo’n 17 jaar geleden al eens een werk voor de Tilburgse beiaard schreef op initiatief van je compositieleraar Jan van Dijk, de toenmalige voorzitter van de beiaardcommissie. Was je ook tevreden met de compositie van toen?

“Ja, dat werk heette ‘Knocking at the gates of Heaven’. Op zich was ik wel tevreden. Ik had een structuur opgezet die werkte zoals ik wilde, en dankzij de uitgebreide uitleg van de stadsbeiaardier Carl van Eindhoven, met wie ik een uur in de toren zat, was de invulling wat ik ervan verwachtte. Het stuk was het stuk goed speelbaar, maar tegelijkertijd was ik wel steeds op zoek naar manieren om me beter uit te drukken, meer kleuren te vinden in de instrumenten waarvoor ik schrijf, en structuren nog beter te ontwerpen. We leven in een prachtige wereld, en dankzij de huidige technologie is een schat aan informatie ontsloten. Wat alleen wel tragisch is, is dat we als mens, als wezen, door de eeuwen heen veel verloren hebben waar het gaat om beleving, subtiliteit en intuïtie. En contact, niet in laatste plaats met onszelf. Veel ‘denkaanzetten’ liggen voor mij verscholen in muziek. Het is bijna een geheimtaal, een codex. Maar het geheim is dat we deze taal allemaal begrijpen, we moeten alleen het kanaal vinden!”

– Heb je de uitvoering van je compositie voor de beiaard van destijds ook zelf gehoord? Zo ja, hoe was dat?

“De uitvoering heb ik destijds zelf gehoord, ja. Dat was best een hele bijzondere belevenis, heel anders als bij de première van werk in een concertzaal. Ik zat tegenover de kerk op een terrasje en wachtte tot mijn werk gespeeld werd. De manier waarop de stadsgeluiden van Tilburg, de stad waar ik zo van hou, versmeltten met mijn werk gaven het een onverwachte extra lading!”

– Is het gegeven dat een beiaard een instrument is dat te horen is in de openbare ruimte van invloed geweest op het componeren van je vrije werk voor de beiaardautomaat? Of heb je daar helemaal niet bij stilgestaan?

“Het feit dat het instrument in de openbare ruimte te horen is, is zeker van invloed geweest op het maken van de compositie. Niet voor niets heet het stuk Festina Lente!”

– Waarin schuilt volgens jou het specifieke of eigene van een beiaard? En wat maakt de beiaard onmisbaar?

“Dat het instrument letterlijk en figuurlijk zo midden in de gemeenschap staat is uniek. En natuurlijk zijn er weinig instrumenten die zo ongelofelijk imposant zijn, qua klank, draagkracht en afmeting. Ik zie het zelf als een belangrijk element van onze identiteit als Tilburger.”

Continue reading...