Foto: Rens Horn

Jazz-recensenten zijn het vrijwel allemaal eens met elkaar als het gaat om jazz-pianist Jeroen van Vliet. Een groot talent, een meester in de nuance: zo wordt de muzikant in een paar woorden getypeerd. Op internet schrijft één van hen: “Na 60 minuten weet je wat de schoonheid van geïmproviseerde muziek betekent”. Op zijn website kondigt Van Vliet intussen een nieuw album aan van één van zijn jazz-ensembles, het Moon Trio. Het is het tweede album van de groep. “Met nieuwe composities, verschillende aanvullende elektronische apparatuur, MOON TRIO 2.0. De stukken zijn zeer specifiek van karakter, er is rust en een relaxte groove en vooral veel ruimte om te ervaren”, zo schrijft hij op zijn website over het nieuwe album.

Wie het CV leest van de in Rosmalen geboren Van Vliet (1965) kan ook alleen maar bewondering hebben voor de man die te horen was op tal van kleine en grote muziekpodia in de hele wereld. In Nederland speelde hij onder meer op het North Sea Jazzfestival, het Oerol Festival en in een groot aantal muziektheaters door het hele land heen. Een hoogtepunt in zijn muzikale carrière was het winnen van de belangrijkste Nederlandse jazz-prijs: de Boy Edgar prijs. Het was niet zijn eerste prijs. Al in 1985 won hij als 19-jarige tijdens het concours van het Middelsee Jazztreffen in Leeuwarden de solistenprijs, zijn allereerste prijs als jazz-muzikant.

In het CV van Van Vliet duiken verder ook namen op van andere grootheden uit de Nederlandse jazz-wereld, zoals  altsaxofinist Paul van Kemenade en jazz-trompetsist Eric Vloeimans. Het was Van Kemenade die in 1988 de kwaliteit in het spel van Van Vliet ontdekte. Het bezorgde de laatste een plek als pianist in het nieuwe kwintet van Van Kemenade. Voor beiden vormde het bovendien het begin van een langdurige samenwerking.

De Stichting Vrienden van de Tilburgse Beiaard is kortom zeer verheugd met het feit dat een groot pianist als Van Vliet aan een leuke opdracht wilde meewerken: het schrijven van vrij werk voor de beiaardautomaat voor in de maand oktober. In een interview met deze website zegt de pianist dat beiaardiers, net als zovele andere culturele en kunstzinnige uitingen, van levensbelang zijn voor het voortbestaan van een evenwichtige samenleving. “Ik vind de aanwezigheid van een beiaard in de stad, en zeker als die regelmatig bespeeld wordt en er nieuwe composities worden uitgevoerd, een geweldige rijkdom”, aldus Van Vliet.

– Kun je meer vertellen over je achtergrond? Kom je bijvoorbeeld uit een muzikale familie?

“Mijn ouders zijn beiden met een creatief beroep gestart, namelijk als etaleur bij een groot kledingbedrijf, en mijn vader heeft zijn hele leven gezongen en kende een groot Gregoriaanse repertoire uit zijn hoofd. Maar zij bespeelden geen instrument. Vreemd genoeg was ik al vanaf mijn zevende jaar geïnteresseerd in pianomuziek en luisterde ik oeverloos naar pianoconcerten van Mozart, Beethoven en Chopin. Op mijn tiende kreeg ik mijn eerste piano-les waarin ik zowel het van blad spelen als het improviseren leerde.”

– Waar heb je gestudeerd of welke muziekopleiding(en) volgde je als muzikant in spe?

“Ik begon op de muziekschool in Goirle, waar ik woonde, met lessen van Willem Kühne. Op mijn achtiende startte ik de klassieke opleiding aan het Brabants Conservatorium bij Theo Bles, en na 2 jaar verruilde ik mijn hoofdvak klassiek piano voor het hoofdvak piano-geïmproviseerde muziek. Na de ‘Docerend Musicus’-opleiding volgde ik bij Bert van den Brink en Jasper van ‘t Hof de ‘Uitvoerend Musicus’-opleiding aan de HKU in Utrecht.”

– Je bent pianist, maar heb je ook altijd pianist willen worden?

“Ik wist na mijn eerste piano-les al dat dat het zou gaan worden en heb nooit een ander beroep voor ogen gehad.”

– Je recentste cd is het duo-album Pluis. Die maakte je samen met (tenor)saxofonist Mete Erker. Als ik de muziek op dit album beluister, word ik daar erg vrolijk van. Is dat ook de bedoeling, dat je muziek een goede vibe opwekt bij de luisteraar?

“Dat is mooi meegenomen! Wat ik beoog, ook samen met Mete, is om oprechte muziek te maken die iets persoonlijks uitdrukt en waar mensen zich mee kunnen verbinden en waar ze zich door laten raken, op wat voor manier dan ook.”

– De cd Pluis heeft ook een speciaal hoesje gemaakt van vilt. Was dat bedoeld om een speciale stemming op te roepen bij de muziek, nog voor het afspelen van de cd?

“Min of meer wel, ja. Het gaat ons om de ervaring, of die nou taktiel of auditief is. Net als geur bijvoorbeeld kan iets tasten misschien iets openzetten. Maar elke interpretatie is uiteraard okee. We willen mensen niet sturen in hun beleving van de muziek.”

– Een krant schreef over je cd dat de muziek zich op de grens bevindt van compositie, improvisatie en kamermuziek. Is dat ook de beste omschrijving?

“Dat past allemaal, maar voor mijzelf zijn de labels niet zo van belang. Waar het mij om gaat is om steeds in het moment te volgen wat zich muzikaal aandient, en de mogelijkheid te hebben dat ook te doen. Composities zijn vastgelegde en bijgeschaafde improvisaties, die als het goed is kunnen dienen als route om ter plekke iets muzikaals uit te drukken.”

– Je eerste solo-cd Who’s Afraid nam je op in de befaamde Rainbow Studio in Oslo. Hoe was het om in die studio te werken en muziek op te nemen?

“Die eerste keer – ik ben er inmiddels vier keer geweest – was dat erg indrukwekkend. De groten der aarde hadden daar met technicus Jan Erik Kongshaug gewerkt en daar kwam ik als broekie van 29 jaar solo piano opnemen. Maar het was een geweldige ervaring die me veel gebracht heeft in termen van presentie en klankbewustzijn.”

– Een andere cd die je onder je eigen naam uitbracht is Wait. Op de cd staat hele sfeervolle, bijna cinematografische muziek die me een beetje doet denken aan het werk van de beroemde pianist en filmcomponist Michael Nyman. Is dat ook één van je idolen?

“Nee, eerlijk gezegd niet. Wat Nyman maakte voor de film ‘The Piano’ is heel treffend en functioneel voor de film. Wat ik met Wait wilde maken, was mijn eigen kleur en kwaliteit die wat mij betreft ook autonoom overeind zou moeten kunnen staan. De muziek van Wait is overigens vaak ook veel abstracter.”

– Je eerste muziekprijzen won je al in 1985. Je was toen twintig jaar. Hoe is het om zo jong al prijzen te winnen?

“Dat geeft moed. En moed kan ik bij tijd en wijle wel gebruiken. Zelfzekerdheid is niet mijn eerste natuur. Dus dat was fijn en het heeft me geholpen om door te zetten.”

– In 2014 kreeg je de belangrijkste Nederlandse jazz-prijs toegekend, de Boy Edgar-prijs. Hoe was het om die prijs te krijgen? En legt zo’n prijs niet veel meer druk op jezelf als muzikant, omdat mensen mogelijk meer van je gaan verwachten?

“Die druk was, naast de verwondering en de blijdschap, een groot obstakel in het begin. Het ontregelde me eerst. De prijs gaf me wel de mogelijkheid om nieuwe projecten te ontwikkelen, zoals Moon Trio, en veel te spelen, zoals met de ‘Zeeland Suite Revisited’ die ik toen net gemaakt had.”

– Je speelde met heel veel mensen/muzikanten samen. Eén van de bekendste muzikanten waarmee je samenwerkte is jazztrompettist Eric Vloeimans. Hoe was het om met hem samen te werken?

“Ik werk nog steeds met hem samen! Dat is een feest, Eric weet supergoed wat hij wil en heeft een ongelooflijk sterke podium-precense. De muziek komt uit z’n tenen en daarmee overtuigt hij. In januari gaan we met Gatecrash, zijn elektrische quartet, weer touren door Nederland.”

– Samen met Herman Coenen maakte je ook een album met Nederlandstalige songs. Je schreef daar ook de composities voor. Wat trekt jou in het maken van Nederlandstalig werk?

“De twee cd’s die met Herman Coenen maakte, ‘Alleen nog maar de zon schilderen’ en ‘Tegen de keer’, bestaan beide uit gesproken proza en poëzie waarbij ik steeds uit de eerste hand heb geïmproviseerd. Ik hou erg van het werk van Herman. Hij neemt je mee naar vaak verstilde plekken en subtiele ervaringen.”

– In de groep Moon Trio speel je niet alleen piano, je verzorgt ook de elektronische effecten. Hoe belangrijk is elektronica in je werk/composities?

“Elektronica is al jaren een intrigerend speelgoed voor mij. Het geeft de mogelijkheid een instrument te verrijken en ‘aan te kleden’. Het kan muzikale sferen en contexten genereren die de akoestische piano juist laat glanzen. Hoewel ik het erg leuk vind om daarmee te werken, is het ook vaak een zoeken naar de balans tussen die twee  werelden.”

– In hoeveel muziekgroepen heb je eigenlijk al gespeeld? En speelde je in die groepen altijd op de toetsen?

“Ik kan ze na al die jaren niet meer tellen, het zijn er vele. Ik speelde altijd piano en/of Fendare Rhodes, Würlitzer-piano of synthesizers.”

– Voor de Tilburgse beiaardautomaat heb je de vrije compositie gecomponeerd voor de maand oktober. Ben je tevreden met hoe de compositie is geworden?

“Toch wel, ook dat was natuurlijk zoeken. Ik probeerde me voor te stellen hoe de beiaard in de stad zou klinken, en voor mij is klokgelui iets vertrouwds dat me ook even wakker maakt uit hetgeen ik aan het doen ben. Dat wakker maken wilde ik erin hebben. Ik heb geprobeerd dat te bereiken door middel van ‘reveille-achtige’ klanken die als een soort signalen zouden moeten werken.”

– Heeft de vrije compositie ook een naam gekregen?

“Vanwege bovenstaande heet het nu ‘Signalen’.”

– Biedt het componeren voor een beiaardautomaat je dezelfde vrijheid als componeren voor piano of zijn er bepaalde beperkingen waar je rekening mee moet houden?

“De beperkingen zijn natuurlijk de omvang maar vooral de klank van de klokken: veel samenklanken zijn onhandig en ook sommige modulaties werken niet. Wat wel handig was, aangezien het werk door een beiaardautomaat wordt uitgevoerd, was dat ik geen rekening hoefde te houden met de twee handen van een beiaardier. En ook niet met muzieknotatie. Daardoor had ik meer vrijheid in het schrijven ervan.”

– Hoe zie jij de toekomst van de stadsbeiaardier? Kan hij/zij nog lang mee of denk je dat de ouderwetse beiaardier een uitstervend ras is?

“Het zou geweldig zijn als het in ere wordt gehouden. Ik vind de aanwezigheid van een beiaard in de stad, en zeker als die regelmatig bespeeld wordt en er nieuwe composities worden uitgevoerd, een geweldige rijkdom. Deze traditie heeft een verbindende rol voor de bewoners van de stad.”

– Er dreigen nu al beiaardiers te worden wegbezuinigd. Horen we over tien jaar alleen nog maar beiaardautomaten?

“Hopelijk niet. Ik hoop dat we gaan begrijpen dat beiaardiers en zovele andere culturele en kunstzinnige uitingen, van levensbelang zijn voor het voortbestaan van een evenwichtige samenleving. Ik zie om me heen dat dat besef bij veel mensen leeft en ik hoop dat dat ook door beleidsmakers meer en meer wordt begrepen en wordt omgezet in duurzaam en genereus cultuurbeleid.”

Continue reading...

Hij werd opgeleid tot accordeonist en was ooit dichter. In beide hoedanigheden trad hij ook op. Volgens eigen zeggen kwam hij er echter al snel achter dat hij liever iets creëert dan dat hij op het podium staat. Het was daarom dat hij zich ontwikkelde tot componist en interdisciplinair kunstenaar. De in Eindhoven geboren Merijn Bisschops (1981) heeft inmiddels een groot aantal kunstwerken op zijn naam staan, waarin verschillende disciplines, zoals tekst, beeld en geluid, onlosmakelijk met elkaar zijn verweven.

Wie foto’s van Bisschops bekijkt op de website van de kunstenaar ontdekt een schitterende, verstilde en bijna mythische wereld in het hoge noorden van Europa. De foto’s hebben volgens de maker ook allemaal iets muzikaals, waarbij de kleurrijke landschappen perfect aansluiten bij Bisschops’ muzikale werk dat door hemzelf in drie woorden wordt omschreven als ‘pulserend, stuwend en mijmerend’. In de muziek van Bisschops klinkt vooral een filmisch geluid met als contrast een ongepolijste en eigenzinnige ritmiek.

Zijn werk was al te zien en te horen op muziek-en filmfestivals en verschillende musea, zoals het muziekfestival November Music, museum De Pont, het Van Abbemuseum, het EYE filmmuseum, het Theaterfestival Boulevard en het Museum Beeld en Geluid. Werk van de kunstenaar reisde bovendien de halve wereld rond: van Italië tot Taiwan. Ook de Stichting Vrienden van de Tilburgse Beiaard staat inmiddels op zijn lijst opdrachtgevers. Van Bisschops zijn in oktober ieder weekend korte uurstukken te horen via de beiaardautomaat. Reden voor een kennismaking met deze allround kunstenaar.

– Kun je iets vertellen over je achtergrond?

“Kunst en muziek in het bijzonder zijn al lang een belangrijk onderdeel van mijn leven. Ik speelde accordeon op de muziekschool, maakte toen mijn eerste composities, en heb performances gedaan als dichter. Ik heb de opleiding accordeon docerend musicus afgerond aan het Fontys Conservatorium in Tilburg, maar ik kwam er vrij snel na mijn studie achter dat ik liever creëer dan dat ik op het podium sta. Ik ben gestopt met optreden als accordeonist en dichter en heb me ontwikkeld als componist en interdisciplinair kunstenaar. Ik heb wat compositielessen gehad, maar ik ben grotendeels autodidact; hetzelfde geldt voor mijn ontwikkeling als fotograaf en filmmaker.”

– Op je website noem je jezelf een ‘audiovisual artist’. Geluid en beeld zijn dus twee belangrijke onderdelen van je werk. Heb je ook een lichte voorkeur voor audio ten opzichte van beeld of andersom? Of vind je beide even interessant?

“Ik heb enkele vaste uitgangspunten voor mijn interdisciplinaire werk en de belangrijkste daarvan is dat de disciplines in hun uitvoering gelijkwaardig zijn. Ze werken samen, versterken en beïnvloeden elkaar, zitten elkaar soms in de weg, maar kunnen ook zelfstandig worden gepresenteerd en gewaardeerd. Omdat ik korter professioneel bezig ben met beeldend werk is in die discipline voor mij nu meer in te ontdekken, maar muziek zal er altijd op gelijke hoogte naast blijven staan.”

– Jouw werk wordt omschreven als een combinatie van visuele esthetiek, muziek en relativerende humor. Kun je een voorbeeld geven van hoe je humor toevoegt aan je werk?

“Humor speelt vooral een rol als ik met tekst en/of film werk. Deze teksten schrijf ik zelf; liedteksten of het script voor een film of performance. Als ik thematisch werk heb ik een sterke voorkeur voor zwaardere thema’s, dat kan heel universeel of zeer persoonlijk zijn, als het mij maar filosofisch uitdaagt. Al dat gewicht is gebaat bij een tegenwicht. Wanneer mensen kunnen lachen om iets wat tegelijkertijd pijn doet schept dat een boeiend spanningsveld. Bij een uitvoering van mijn productie House of Fun – torture euphemism enkele jaren geleden, over de manier waarop martelen wordt verbloemd door overheden, media en taalgebruik, zaten zowel bezoekers te lachen als te huilen. Lachen tegen beter weten in zet mensen aan het denken.”

– In je werk zitten veel foto’s van overweldigende natuur, bijna zoals je deze alleen maar ziet in bladen als National Geographic. Wat heb je met natuur?

“Ik verblijf veel in de natuur om rust en ruimte te ervaren. Die rust en ruimte is steeds meer in mijn werk terug te horen en te zien.”

– Voor je werk verbleef je ook een tijdje op IJsland. Was dat voor jou tot nog toe ook de meest inspirerende plek om goede foto’s en composities te kunnen maken?

“De geomorfologie van het landschap, het licht, het weer, de ruimte, de eenzaamheid: IJsland is een enorm dankbare plek voor kunstenaars en ik zou er graag weer eens naar terugkeren. Maar de abstractie die ik door mijn lens zoek in het landschap is niet exclusief voorbehouden aan IJsland. Voor de oplettende kijker is die overal te vinden, ook in Nederland.”

– Hoe moeilijk is het om muziek te schrijven voor zelfgemaakte foto’s en vooral om de sfeer van die foto’s terug te laten keren in je muziek?

“Niet iedere foto leent zich voor het maken van muziek. Het is een intuïtief proces. Ik kan heel grafisch door een foto laten inspireren; de gelaagdheid, vormen, texturen en kleuren. Maar ik wil niet dat het een letterlijke vertolking van de foto wordt. Daarom laat ik me ook inspireren door mijn emotionele ervaring van de plek waar de foto is gemaakt. Die kan nog wel eens afwijken van wat er in de foto te zien is.”

– Het gerenommeerde Prisma Strijktrio speelde de muziek bij je foto’s uit IJsland. Past strijkmuziek ook het beste bij IJsland?

“Hoewel ik denk dat IJsland zich wel leent voor andere klanken, zijn strijkinstrumenten wel een goede keus geweest voor het project Textures. Veel positieve reacties uit het publiek komen van mensen die zelf in IJsland zijn geweest. Ik heb van meerdere mensen te horen gekregen dat ik hun gevoel bij IJsland in de muziek heb weten te vangen. Een beter compliment kon ik niet krijgen.”

– Als ik je fotografisch werk bekijk, dan zie ik daar ook een bepaald soort ritme in. Is dit bewust door jou gedaan of is het toch meer toeval?

“Ik krijg vaker te horen dat mijn foto’s in zichzelf iets muzikaals hebben. Ik kan me voorstellen dat mijn muzikaliteit invloed heeft op hoe ik omga met de compositie van een foto.”

– Draaien jouw muzikale composities ook veel om ritme of meer om sfeer?

“In mijn werk is sfeer meestal belangrijker dan ritme, omdat muziek bij mij begint bij de emotionele zeggingskracht. Ik zie ritme meer als een middel om een complexe gemoedstoestand over te brengen.”

– Je hebt composities geschreven voor instrumenten als basklarinet, saxofoon, trombone, piano, elektrische gitaar en pijporgel en ook voor combinaties van deze instrumenten. Zijn er ook instrumenten waar je het liefst stukken voor componeert – en zo ja waarom?

“Strijkinstrumenten passen wel bij mij. Ik houd van instrumenten waarbij iedere toon die klinkt nog een ontwikkeling kan doormaken door hele subtiele variaties in technieken toe te passen.”

– Een van je meest recente projecten, Crash Blossom, was een muzikale en visuele trip samen met de sopraan Rianne Wilbers. De voorstelling was een combinatie van beelden, teksten en muziek. Waar gingen de beelden en teksten over?

“Crash Blossom is het meest persoonlijke project dat ik tot nu toe heb gemaakt. De beelden en teksten zijn geïnspireerd op ervaringen in het leven van mijzelf en dat van de zangeres. Het gaat over maskers die we optrekken, zingeving en zelfdestructie. Met relativerende humor als tegenhanger, uiteraard.”

– In je nieuwste compositie genaamd Far-field heb je een stuk muziek gecomponeerd voor accordeonist Vincent van Amsterdam. In die compositie maak je op een ongewone manier gebruik van de registers van de accordeon, wat een zeer elektronisch klinkend stuk muziek oplevert. Wist je van tevoren al hoe de accordeon zou gaan klinken of ontdekte je dit bij toeval?

“Ik heb meer dan tien jaar geen accordeon meer gespeeld. Far-field is voor mij een herontdekking van een instrument dat ik heel goed ken. In mijn klankonderzoek voor deze compositie heb ik misschien niet echt nieuwe technieken ontdekt, maar heb ik door alle ervaring die ik in de tussentijd heb opgedaan toch een onvoorzien geluid gevonden.”

– Voor de Tilburgse beiaardautomaat heb je de korte uurstukken gecomponeerd voor de maand oktober. Was het leuk om muziek te maken voor de beiaardautomaat?

“Ik vond het leuk om na te denken over een stuk dat echt voor de automaat is geschreven en dat ik niet door een muzikant zou laten uitvoeren.”

– Wat was voor jou het meest uitdagende bij het componeren van de uurstukken?

“Ik moest eerst over een negatieve associatie heen stappen (die te maken heeft met het carillon van de Wasknijper bij het centraal station in Tilburg) om tot de schoonheid van het instrument te komen, die wat mij betreft – niet zo verbazingwekkend – in de lage klokken van de beiaard in de Heikese kerk is te vinden.”

– Ben je tevreden met hoe de composities uiteindelijk zijn geworden?

“Ik zie de uurstukken als korte, subtiele interventies in de openbare ruimte. Het zijn een soort klankwolken die dicht bij het bekende klokgebeier liggen. De oplettende voorbijganger zal opvallen dat er sprake is van ritmische nuances; versnellingen en vertragingen die licht ontwrichtend werken: je kunt er niet meer mee in de pas lopen.”

– Is de beiaard volgens jou nog ‘modern’ genoeg voor het maken van hedendaagse muziek?

“Muziekinstrumenten hebben geen houdbaarheidsdatum. Ieder instrument heeft zijn eigen muzikale functie en zeggingskracht, ook in nieuwe muziek. Zolang er mensen én beiaarden zijn maakt dit instrument onderdeel uit van het klankenpallet dat gebruikt kan worden.”

– Wat is volgens jou het meest speciale aan de beiaard als instrument?

“Ik ben voor deze compositie meteen gaan nadenken over de luisteraars in de stad. Meestal heb ik te maken met een publiek dat min of meer weet wat er gaat gebeuren bij een uitvoering. Bij de beiaard gaat het vooral om mensen die per ongeluk onder mijn muziek doorlopen of het misschien niet eens bewust horen. Ik vond het interessant om erover na te denken wat ik als componist met dat gegeven kon doen.”

Continue reading...

Doet ie het of doet ie het niet? De klanken in het centrum van Tilburg klinken toch een stuk minder aangenaam zonder beiaard. Of beter gezegd: zonder beiaardautomaat. Afgelopen week werd er in Tilburg ook een aantal bezorgde telefoontjes uitgewisseld. Was de beiaardautomaat nog in orde of was hij knock-out gegaan door het extreem warme weer? Na een telefoontje met de klokkenfirma Eijsbouts uit Asten, werd de automaat grondig nagekeken, maar helaas zonder positief resultaat.

De Stichting Vrienden van de Tilburgse beiaard hoefde zich desondanks geen zorgen te maken en kreeg de belofte dat het probleem nog in de vakantieperiode zou worden opgelost.

Begin augustus stonden de uurslagen van componiste Nicoline Soeter geprogrammeerd. Maar de playlist van Soeter bleek niet op de voorgeprogrammeerde tijden te kunnen worden afgespeeld door het mysterieuze zwijgen van de beiaardautomaat.

Het verlossende woord kwam afgelopen maandag van  Ernst Bonis, algemeen bestuurslid en de technische man van de Stichting Vrienden van de Tilburgse beiaard. Het speelwerk werkte eindelijk weer als vanouds. Sinds afgelopen maandagmiddag is de automaat ook weer op vaste tijden te horen. In een mail liet Bonis verder weten nog eens goed uit te zullen zoeken wat de oorzaak was van het hele probleem. “Het is zeer waarschijnlijk een softwarefout geweest. Na 12 augustus, als het verlof voorbij is, hoop ik echter erachter te komen wat nou precies het euvel was”, schreef hij in een mail.

Continue reading...